HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Algemene Subsidieverordening gemeente Nunspeet 2014

Algemene Subsidieverordening gemeente Nunspeet 2014

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingAlgemene Subsidieverordening gemeente Nunspeet 2014
CiteertitelAsv Nunspeet 2014
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerpSubsidieverordening

Opmerkingen m.b.t. de regeling

artikel 16 is gewijzigd

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, artikel 149
  2. Algemene wet bestuursrecht, artikel 4:23

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

deelverordeningen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
03-12-2014 n.v.t. wijziging 29-10-2014 internet R.003578
01-12-2014 n.v.t. wijziging 29-10-2014 internet R.003578
19-11-2014 n.v.t. wijziging 29-10-2014 internet R.003578
01-07-2014 n.v.t. nieuwe regeling 26-06-2014 internet R.003377

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Nunspeet;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 13 mei 2014, nr. 5, over de Algemene subsidieverordening gemeente Nunspeet 2014;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

besluit vast te stellen de Algemene Subsidieverordening gemeente Nunspeet 2014.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen algemeen

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. aanvrager: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die een aanvraag tot subsidie indient;

b. activiteitenplan: een overzicht dat de activiteiten aangeeft waarvoor subsidie wordt aangevraagd met in ieder geval per activiteit een vermelding daarbij van de daarmee na te streven doelstellingen, de te behalen resultaten, de van belang zijnde kengetallen, de relatie met het gemeentelijke beleid en de benodigde personele en materiële middelen;

c. Awb: Algemene wet bestuursrecht;

d. beleidsdoelstelling: een beleidsvoornemen dat wordt beschreven op het niveau van concrete doelstellingen binnen een gedefinieerde tijdshorizon;

e. budgetsubsidie: een vorm van jaarlijkse subsidie voor een periode van maximaal vier jaar waarbij het budget wordt ingezet om vooraf bepaalde resultaten te behalen;

f. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet;

g. eenmalige subsidie: subsidie voor projectmatige activiteiten;

h. jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt;

i. raad: gemeenteraad van de gemeente Nunspeet;

j. resultaten: de aanwijsbare verandering of de gerealiseerde baat die één of meerdere diensten of producten bij haar afnemers teweeg brengen en daarmee bijdragen aan de beleidsdoelstelling;

k. prestatie: de product of dienst die de maatschappelijke organisatie aan haar afnemers verleent;

l. subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een jaar ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op grond van deze verordening.

Artikel 2. Reikwijdte verordening

  1. 1

    Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de Awb.

  2. 2

    Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijk voorschrift is kunnen burgemeester en wet-houders bij beschikking bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

  3. 3

    Het college stelt in deelverordeningen nadere regels, waarin de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie per beleidsterrein worden omschreven. 

  4. 4

    Subsidie wordt in beginsel alleen verstrekt aan een rechtspersoon. In de deelverordeningen kan hierop voor eenmalige subsidies een uitzondering worden gemaakt.

Artikel 3. Bevoegdheid college

  1. 1

    Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met inachtneming van de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en – als de begroting nog niet is vastgesteld of goedgekeurd – onder de voorwaarde dat voldoende gelden in de begroting ter beschikking worden gesteld.

  2. 2

    Het college kan in deelverordeningen nadere of afwijkende bepalingen opnemen, met uitzondering van het in de wet gestelde en artikel 3, 22, 23, 24, 25 en 25 van deze verordening.

  3. 3

    Het college kan afdeling 4.2.8. van de Awb van toepassing verklaren. 

Artikel 4. Begripsomschrijvingen staatssteun

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard („de algemene groepsvrijstellingsverordening”) (PbEU L 214/3) , dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

b. de-minimisverordening: verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L379/5), verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 337/35) en verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun in  de visserijsector  en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PbEU L 193/6) , dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

c. economische activiteit: iedere activiteit bestaande uit het aanbieden van goederen en/of diensten op een bepaalde markt.

Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid , 107, 108 en 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;

d. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

e. Verdrag: Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie

 

Artikel 5. Europees steunkader

  1. 1

    Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij deelverordening afwijken van deze verordening en deze aanvullen.

  2. 2

    Bij deelverordeningen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de deelverordening naar het toepasselijke steunkader.

  3. 3

    Bij subsidies waar een Europees steunkader op van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.

  4. 4

    Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.

  5. 5

    Bij subsidies waarop de de-minimisverordening van toepassing is, komen onderneming alleen in aanmerking voor subsidies die voldoen aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.

Hoofdstuk 2. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

Artikel 6. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  1. 1

    De raad kan besluiten tot het instellen van subsidieplafond(s).

  2. 2

    Bij vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze het beschikbare bedrag wordt verdeeld. 

  3. 3

    Het college kan nadere regels stellen over de verdeling van het beschikbare bedrag. 

Hoofdstuk 3. Aanvraag van de subsidie

Artikel 7. Bij aanvraag in te dienen gegevens

  1. 1

    De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als er een door het college vastgesteld aanvraagformulier is, moet hiervan gebruik worden gemaakt.

  2. 2

    Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende gegevens:

    a. Een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd.

    b. De doelstellingen en resultaten die met deze activiteiten worden nagestreefd en een beschrijving hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen, en in het bijzonder ook een vermelding in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde doelen of beleidsterreinen.

    c. Een begroting en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen, private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.

  3. 3

    Bij een budgetsubsidie is de begroting genoemd in lid 2c een meerjarenbegroting. De periode van de begroting is gelijk aan het subsidietijdvak waarvoor subsidie wordt aangevraagd. De meerjarenbegroting is opgesteld op hoofdlijnen. 

    Als dat van toepassing is bij een jaarlijkse subsidie of budgetsubsidie, de stand van de egalisatie-reserve op het moment van de aanvraag.

     

  4. 4

    Een rechtspersoon die voor de eerste keer een subsidie aanvraagt, voegt hij als bijlagen toe aan het aanvraagformulier een exemplaar van:

    a. de oprichtingsakte;

    b. de statuten;

    c. een uittreksel uit het verenigingen- en/of stichtingenregister van de Kamer van Koophandel of, als dat niet mogelijk is, een schriftelijke opgaaf van de samenstelling van het bestuur;

    d. het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar indien de rechtspersoon of diens rechtsvoorganger toen actief was.

     

  5. 5

    Als de aanvrager een onderneming is kan het college besluiten de volgende gegevens door de aanvrager in te laten dienen nadat de aanvraag is ontvangen:

    a. een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen  in welke vorm ook met staats-middelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    b. een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring).

     

  6. 6

    De onder lid 5, sub a en/of b gevraagde gegevens moeten binnen vier weken nadat hierom is gevraagd door het college zijn ontvangen. 

Artikel 8. Aanvraagtermijn

  1. 1

    Jaarlijkse en eenmalige subsidie:

    a. Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie moet zijn ontvangen voor 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.

    b. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie moet zijn ontvangen uiterlijk acht weken en maximaal 26 weken voor de aanvang van de te subsidiëren activiteit.

    c. Het college kan in deelverordeningen andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag voor daarbij aan te wijzen subsidies.

     

  2. 2

    Budgetsubsidies:

    a. De aanvraag voor een budgetsubsidie moet zijn ontvangen voor 1 juni in het jaar voorafgaand aan de subsidieperiode waarop de subsidie betrekking heeft.

    b. De aanvraag is op het niveau van beleidsdoelstellingen.

    c. De aanvraag omschrijft welke doelstellingen de aanvrager wil bereiken en hoe de aanvrager dit (op hoofdlijnen) wil realiseren.

     

Artikel 9. Beslistermijn

  1. 1

    Het college maakt het besluit op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag bekend of als het college hiertoe regels heeft opgesteld, dertien weken gerekend vanaf de uiterste indieningtermijn voor het aanvragen van de subsidie.

  2. 2

    Het college maakt het besluit op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie bekend voor 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend. 

  3. 3

    Het college maakt het besluit op een aanvraag voor een budgetsubsidie bekend voor 1 september van het jaar waarin de aanvraag is ingediend. 

  4. 4

    Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.

Hoofdstuk 4. Weigering van de subsidie

Artikel 10. Weigeringgronden en intrekking

  1. 1

    Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 van de Awb kan het college de subsidieverlening weigeren als:

    a. de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of niet of nauwelijks ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;

    b. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteit waarvoor deze wordt gevraagd;

    c. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    d. de activiteit van de aanvrager in strijd is met de wet, het algemene belang of de openbare orde;

    e. als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;

    f. de activiteit (partij)politieke of levensbeschouwelijke vorming beoogt of betreft;

    g. met inbegrip van de aangevraagde subsidie er geen gerechtvaardigde verwachting is dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de activiteit te kunnen realiseren;

    h. de gelden niet of in onvoldoende mate worden besteed aan de activiteit waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;

    i. de financiële continuïteit of de continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager niet is gega-randeerd;

    j. de hoogte van de aangevraagde subsidie minder is dan € 200,--;

    k. de activiteit niet past binnen het beleid van de gemeente.

     

  2. 2

    Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidieverlening in ieder geval:

    a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.

    b. als tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

     

  3. 3

    Burgemeester en wethouders kunnen een subsidie in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

  4. 4

    Burgemeester en wethouders vorderen een subsidie met rente terug als dit nodig is ter uitvoering van een terugvorderingsbesluit van de Europese Commissie of een onherroepelijke rechterlijke uitspraak.

Hoofdstuk 5. Verlening van de subsidie

Artikel 11. Wijze van verantwoording

Voor zover dit niet is bepaald bij deelverordening, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

Artikel 12. Betaling en bevoorschotting

  1. 1

    Als besloten wordt tot bevoorschotting van de subsidie, wordt in de beschikking de hoogte en de termijnen van de voorschotten bepaald. 

  2. 2

    Als er sprake is van een van de volgende situaties aangaande een aanvrager, niet zijnde een natuurlijk persoon, worden geen voorschotten verstrekt:

    a. een lopende procedure tot ontbinding of opheffing van de onderneming;

    b. beslag op (een deel) van het vermogen;

    c. een ten aanzien van de aanvrager aangevraagde of verleende surseance van betaling;

    d. een aangevraagd of uitgesproken faillissement.

     

Hoofdstuk 6. Verplichtingen van de subsidieontvanger

Artikel 13. Tussentijdse rapportage

Het college kan de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van verantwoording over de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. 

Artikel 14. Meldingsplicht

De subsidieontvanger doet onverwijld melding aan het college, zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, niet volledig of niet zullen worden verricht of dat niet volledig of niet aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichting zal worden voldaan. 

Artikel 15. Overige verplichtingen van de subsidieontvanger

  1. 1

    In het algemeen gelden de volgende verplichtingen voor verleende subsidies:

    De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over:

    a. besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend of die zijn gericht op ontbinding van de rechtspersoon;

    b. relevante wijzigingen in de financiële of organisatorische verhoudingen met derden;

    c. ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat de aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden niet volledig of niet kunnen worden nagekomen;

    d. wijziging van de statuten voor zover het de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon betreft.

     

  2. 2

    De subsidieontvanger verleent haar medewerking aan door of namens de gemeente ingesteld onderzoek dat is gericht op het verkrijgen van inlichtingen voor de ontwikkeling van het beleid of de controle op de rechtmatigheid van de besteding van subsidies.

  3. 3

    Specifiek voor budgetsubsidies gelden de volgende aanvullende verplichtingen.

    a. Voor 1 oktober voorafgaand aan ieder jaar waarvoor subsidie is verleend sluit de aanvrager een uitvoeringsovereenkomst met het college. Deze overeenkomst kan voor meerdere jaren worden afgesloten. In de overeenkomst worden gezamenlijk de te behalen resultaten bepaald.

    b. Jaarlijks moet voor 1 december ter goedkeuring door het college een activiteitenplan en begroting voor het komende jaar zijn ontvangen. In het activiteitenplan zijn de te behalen prestaties opgenomen.

    c. Jaarlijks moet voor 1 mei een tussentijdse verantwoording over het voorgaande jaar zijn ontvangen. De tussentijdse verantwoording moet voldoen aan hetgeen bepaald in artikel 19 lid 2 van deze verordening en aan hetgeen in de verleningsbeschikking is bepaald.

     

  4. 4

    Budgetsubsidies worden altijd verleend met toepassing van het begrotingsvoorbehoud als bedoeld in artikel 4:34 Awb.

  5. 5

    Het college kan de subsidieaanvrager verplichten om conform een door de gemeente vastgesteld model de integrale kostprijs van de te subsidiëren activiteiten te bepalen. 

  6. 6

    Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen.

    a. Aan een beschikking tot subsidieverlening kunnen verplichtingen worden verbonden met betrekking tot het beheer en gebruik van hetgeen met de subsidie tot stand is gebracht.

    b. Bij subsidies verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.

     

Artikel 16. Reserve en vermogensvorming

  1. 1

    De reserves, voor zover deze (deels) met subsidiegelden zijn opgebouwd, mogen op de laatste dag van enig boekjaar niet hoger zijn dan 10% van de in de begroting opgenomen baten van het desbetreffende boekjaar. Als dit wel het geval is, wordt de subsidie lager vastgesteld tot het bedrag waarmee wel aan deze voorwaarde is voldaan. Dit lid is niet van toepassing op ontvangers van een budgetsubsidie.

  2. 2

    Maximaal 10 procent van de in een boekjaar ontvangen subsidiegelden mag worden gebruikt voor vermogensvorming en reservering. Als dit percentage hoger is, wordt de subsidie lager vastgesteld tot het bedrag waarmee wel aan deze voorwaarde is voldaan.

  3. 3

    Op ontvangers van een budgetsubsidie zijn afdeling 4.2.8. van de Awb en artikel 4:71, lid 1, sub g van de Awb van toepassing.

  4. 4

    Voor zover het verstrekken van subsidie heeft geleid tot vermogensvorming is de subsidieontvanger de gemeente een vergoeding verschuldigd van maximaal het met subsidie opgebouwde vermogen, met inachtneming van de reguliere afschrijving, als:

    a. de subsidieontvanger de voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt, bezwaart of de bestemming ervan wijzigt;

    b. de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;

    c. de rechtspersoon wordt ontbonden of een fusie, zoals bedoeld in artikel 309 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt aangegaan;

    d. de subsidierelatie wordt beëindigd.

     

Hoofdstuk 7. Verantwoording en vaststelling van de subsidie

Artikel 17. Verantwoording subsidie tot € 5.000,--

  1. 1

    Subsidies tot € 5.000,-- worden door het college:

    a. bij een eenmalige subsidie ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken nadat de activiteit uiterlijk moet zijn verricht;

    b. bij een jaarlijkse subsidie ambtshalve vastgesteld binnen dertien weken na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend.

     

  2. 2

    Bij een ambtshalve vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid kan het college de aanvrager in de verleningsbeschikking verplichten om voorafgaand aan de ambtshalve vaststelling op een door haar aangegeven wijze en moment aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 18. Verantwoording subsidie vanaf € 5.000,-- tot € 50.000,--

  1. 1

    Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 5.000,--, maar minder dan € 50.000,--, moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen bij het college:

    a. bij een eenmalige subsidie uiterlijk dertien weken na het verricht zijn van de activiteiten;

    b. bij een jaarlijks verstrekte of budgetsubsidie uiterlijk vier maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.

     

  2. 2

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.

     

  3. 3

    Het college kan bepalen dat ook andere of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden, die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 19. Verantwoording subsidie vanaf € 50.000,--

  1. 1

    Als de subsidieverlening meer bedraagt dan € 50.000,--, moet de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling indienen bij het college:

    a. bij een eenmalige subsidie uiterlijk dertien weken na het verricht zijn van de activiteiten;

    b. bij een jaarlijks verstrekte subsidie uiterlijk vier maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend.

    c. bij een budgetsubsidie uiterlijk vier maanden na het subsidietijdvak, waarvoor subsidie is verleend.

     

  2. 2

    De aanvraag tot vaststelling bevat:

    a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht;

    b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening);

    c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop;

    d. en een accountantsverklaring:

    bij een subsidie van € 50.000,-- tot € 100.000,-- zijnde een samenstellingverklaring;

    bij een subsidie van € 100.000,-- tot € 150.000,-- zijnde een beoordelingsverklaring;

    bij een subsidie vanaf € 150.000,-- zijnde een goedkeurende controleverklaring zonder beperking.

     

  3. 3

    Het college kan bepalen dat ook andere of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 20. Vaststelling van de subsidie

  1. 1

    Het college stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast.

  2. 2

    Het college kan in deelverordeningen categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen. 

Artikel 21. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen

  1. 1

    Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij de subsidieverlening voorgeschreven berekeningswijze.

  2. 2

    Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van bij de subsidieverlening voorgeschreven definities. 

  3. 3

    Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. 

Hoofdstuk 8. Overige bepalingen

Artikel 22. Hardheidsclausule

  1. 1

    Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of meerdere artikelen van de verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van artikel 1, 2, 3, 4, 5 en 10 voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van zwaarwegende aard. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 

  2. 2

    Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad. 

Artikel 23. Intrekking verordening

De Algemene subsidieverordening Nunspeet 2011 wordt ingetrokken met ingang van 1 juli 2014, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de subsidieaanvragen die voor deze datum zijn ingediend. 

Artikel 24. Overgangsbepalingen

Aanvragen om subsidie die zijn ingediend voor 1 juli 2014 worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene subsidieverordening Nunspeet 2011.

Artikel 25. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2014.

Artikel 26. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Asv Nunspeet 2014’.  

Sluiting

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering

van 26 juni 2014,

de griffier,   de voorzitter,

Toelichting 1. Algemene toelichting