HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015
CiteertitelBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpBeleidsregels WMO

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet maatschappelijke ondersteuning

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-01-2015 n.v.t. nieuwe regeling 08-12-2014 gemeenteblad A.12474

Tekst van de regeling

Artikel

Beleidsregelsmaatschappelijke ondersteuninggemeente Nunspeet2015

Beleidsregels WMO 2015 gemeente Nunspeet

Leeswijzer

De beleidsregels Wmo 2015 zijn gebaseerd op de beleidsregels 2014 en zijn aangepast aan de nieuwe taken van de gemeente. Na de inleiding wordt in hoofdstuk 1 het afwegingskader beschreven, die daarna voor elk te bereiken resultaat van toepassing is. Aan hoofdstuk 2 “de beoordeling van de te bereiken resultaten” is de nieuwe functie Begeleiding toegevoegd. Naast het doel, de uitleg van het beoogde resultaat wordt de mate van beperkingen gerelateerd aan het soort voorziening. Vervolgens wordt het onderscheid begeleiding groep en begeleiding individueel gemaakt. Bij de mantelzorgondersteuning zijn diverse vormen van taakverlichting voor de mantelzorger opgenomen. Het kortdurend verblijf is daaraan toegevoegd.

Beschermd wonen en opvang valt onder de verantwoordelijkheid van de centrumgemeente Zwolle. In de beleidsregels wordt daar uitleg aangegeven. Hoofdstuk 3 gaat over de regels van de verstrekkingsvormen en eigen bijdrage.Tot slot wordt in hoofdstuk 4 de procedure van melding naar oplossing beschreven.Daar waar hij staat kan ook zij worden gelezen.

Inhoudsopgave

Inleiding 5

1.Het afwegingskader 7

  1. 1.1

    Eigen oplossingen 7

    1. 1.1.1.

      Eigen kracht 7

    2. 1.1.2.

      Algemeen gebruikelijke voorziening 7

    3. 1.1.3.

      Gebruikelijke hulp 8

    4. 1.1.4.

      Mantelzorg 8

    5. 1.1.5.

      Vrijwillige hulp 9

  2. 1.2

    Algemene voorziening 9

  3. 1.3

    Andere wetgeving 9

1.3.1. Wet langdurige zorg 9

1.3.2. Zorgverzekeringswet 10

1.3.3. Jeugdwet 10

1.3.4. Participatiewet 10

  1. 1.4Maatwerkvoorziening 10

  2. 2.

    Beoordeling van de te bereiken resultaten 11

  3. 2.

    1 Een schone en leefbare woning 11

  4. 2.

    2 Wonen in een geschikte woning 11

  5. 2.

    3 Verplaatsen in en om de woning 13

2.4. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel 14

2.5 Begeleiding 15

2.5.1. Activiteiten en taken bij begeleiding 15

2.5.2. Mate van beperkingen sociale redzaamheid in relatie tot voorzieningen 16

2.5.3. Begeleiding groep of begeleiding individueel 17

2.6 Mantelzorgondersteuning 18

2.6.1. Kortdurend verblijf 19

2.6.2. Mantelzorgwaardering 19

2.7 Beschermd wonen en opvang 19

2.7.1. Aanpak huiselijk geweld 20

2.7.2. Beschermd wonen 20

2.7.3. Maatschappelijke opvang 21

3.Verstrekking vormen, eigen bijdrage 22

  1. 3.1

    Verstrekking in natura 22

  2. 3.2

    Persoonsgebonden budget 22

  3. 3.3

    Bijdrage in de kosten 22

3.3.1. Hoogte eigen bijdragen 22

3.3.2. Inning eigen bijdragen 22

4.Procedure van melding naar oplossing 23

4.1Het proces van melding en onderzoek 23

4.1.1. Eerste contact en de melding 23

4.1.2. Het gesprek 24

4.1.3. Het onderzoek 24

4.1.4. Het arrangement 24

4.1.5. De maatwerkvoorziening 24

  1. 4.2

    Spoed 25

  2. 4.3

    Herziening, intrekking en terugvordering 25

  3. 4.4

    Hardheidsclausule 25

  4. 4.5

    Bezwaarprocedure 25

Bijlage 1: Begripsomschrijvingen 26

Bijlage 2: Algemeen gebruikelijke voorzieningen 27

Bijlage 3: Algemene voorzieningen 28

Bijlage 4: Urennormering Hulp bij Huishouden 29

Bijlage 5: Bouwkundige-en woon technische voorzieningen 30

Bijlage 6: Kindvoorzieningen 32

Inleiding

De gemeente is verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners zoals bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Per 2015 is het takenpakket uitgebreid met Begeleiding individueel, Begeleiding groep, beschermd wonen en het bieden van kortdurend verblijf. De ondersteuning is gericht op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven, waar mogelijk op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk

Maatschappelijke ondersteuning bestaat uit:

  1. 1.

    het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld;

  2. 2.

    ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving;

  3. 3.

    het bieden van beschermd wonen en opvang.

Algemene- en maatwerkvoorzieningen

Voor de uitvoering van de Wmo 2015 zijn regels opgesteld rond de voorzieningen aan inwoners. De gemeente beoordeelt of iemand in aanmerking komt voor algemene- of maatwerkvoorziening. Dit doet de gemeente aan de hand van de bepalingen in de Wmo 2015, de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 (verder genoemd verordening) en de bepalingen in deze beleidsregels. De beleidsregels zijn een verdere uitwerking van de bepalingen in de verordening en waarborgt de transparantie van de gemeentelijke werkwijze naar derden.

De Wmo 2015 biedt mogelijkheden om op een goede manier maatschappelijk te ondersteunen door het verder ontwikkelen en inzetten van algemene voorzieningen. Indien dat niet voldoende toereikend is om de inwoner te ondersteunen is een maatwerkvoorziening passend. In samenspraak wordt bezien welk arrangement tot een passende ondersteuning leidt.

Voor elke voorziening kan een bijdrage in de kosten gevraagd worden, met uitzondering van cliëntondersteuning. Nadere regels zijn opgenomen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning of in hoofdstuk 4.

Juridische status

De beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht: “Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel voor hem gedelegeerde bevoegdheid.”

Als beleidsregels zijn vastgesteld, kan daar in beschikkingen naar worden verwezen. Voor de gemeente zijn deze beleidsregels evenzeer bindend als de verordening. Bij de beoordeling van geschillen is het de rechter die toetst of de gemeente de eigen regels, zoals neergelegd in verordening en beleidsregels wel correct heeft gehanteerd. Uiteraard dienen bij gewijzigd beleid ook de beleidsregels te worden aangepast.

De Verordening maatschappelijke ondersteuning wordt door de gemeenteraad vastgesteld. De Beleidsregels worden door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Daarnaast is het mogelijk de bedragen jaarlijks te indexeren, wat gemandateerd is aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2.3.5., lid 1 van de Wmo 2015 vermeldt dat het college beslist op een aanvraag:

  1. a.

    Van een ingezetene van de gemeente om een maatwerkvoorziening ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie;

  2. b.

    Van een ingezetene van Nederland om een maatwerkvoorziening ten behoeve van opvang en beschermd wonen.

In de verordening zijn in art. 8 de criteria voor een maatwerkvoorziening geregeld.

De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en tot het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

Het college beoordeelt in hoeverre eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit het netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen de ondersteuningsbehoefte kan verminderen of wegnemen. De wet gaat ervan uit dat inwoners zoveel mogelijk een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Er wordt gewezen op het benutten van de eigen kracht. Ook mag van iedereen verwacht worden dat men elkaar naar vermogen bijstaat. In de wet is nog explicieter verankerd dat de overheid niet voor elke hulpvraag bijspringt. Echter: niemand wordt op voorhand, bijvoorbeeld op grond van inkomen of leeftijd, uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Iedereen met een ondersteuningsvraag kan zich melden bij de gemeente. Het afwegingskader geeft invulling aan bovenstaande.

Maatwerkvoorziening

Het college beoogt met het verstrekken van een maatwerkvoorziening een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie. De uitwerking van de maatwerkvoorziening vervangt de compensatieplicht uit de Wmo 2015 en beoogt de volgende resultaten te bereiken:

  1. -

    een schone en leefbare woning;

  2. -

    wonen in een geschikte woning;

  3. -

    verplaatsen in en om de woning;

  4. -

    lokaal verplaatsen per vervoermiddel;

  5. -

    begeleiding;

  6. -

    mantelzorgondersteuning;

  7. -

    beschermd wonen en opvang.

Mantelzorgers

Een bijzondere groep onder de Wmo 2015 vormen de mantelzorgers. Nadrukkelijk moet een gemeente immers rekening houden met de belangen van de mantelzorger en diens (dreigende) overbelasting. Op verschillende manieren kan men de last van de mantelzorger verlichten.

Financieringsvorm

Indien iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening is er de mogelijkheid te kiezen voor verstrekking in natura of een persoonsgebonden budget. Aan dit laatste is een aantal voorwaarden verbonden.

Procedure van melding naar oplossing

Als iemand hulp van de nodig heeft, kan hij zich melden bij de gemeente. Na de melding voert de Wmo-consulent namens het college een onderzoek uit naar de ondersteuningsbehoefte. Toegang tot de maatschappelijke ondersteuning wordt verleend via toeleiding naar een algemene voorziening of via verstrekking van een toekenningsbeschikking waaruit blijkt dat de persoon in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening.

1. Het afwegingskader

Bij elke vraag naar ondersteuning op het gebied van zelfredzaamheid of participatie onderzoekt het college met behulp van een algemeen afwegingskader welke oplossing het meest adequaat is. Hierbij zijn de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de persoon van belang. Tijdens het onderzoek kan een mantelzorger of een cliëntondersteuner aanwezig zijn. Een belangrijke waarborg in de Wmo 2015 is de resultaatverplichting. Uitgangspunt is dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid van mensen zelf is. De gemeente biedt ondersteuning als iemand zelf niet volledig kan voorzien in zelfredzaamheid en participatie of behoefte heeft aan beschermd wonen of opvang. Hierbij wordt gekeken wat iemand zelf kan oplossen, welke algemene voorziening bruikbaar is en welke voorliggende wetgeving van toepassing is om uiteindelijke tot een maatwerkvoorziening te komen. In onderstaand afwegingskader wordt de hiërarchie hierbij aangegeven.

Het afwegingskader

1.1 Eigen oplossingen

    1. 1.1.1

      Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid

    2. 1.1.2

      Algemeen gebruikelijke voorziening

    3. 1.1.3

      Gebruikelijke hulp

    4. 1.1.4

      Mantelzorg

    5. 1.1.5

      Vrijwillige hulp

  1. 1.2

    Algemene voorziening

  2. 1.3

    Andere wetgeving

    1. 1.3.1

      Wet langdurige zorg

    2. 1.3.2

      Zorg verzekeringswet

    3. 1.3.3

      Jeugdwet

    4. 1.3.4

      Participatiewet

  3. 1.4

    Maatwerkvoorziening

1.1. Eigen oplossingen

De Wmo 2015 is bedoeld om de eigen kracht te versterken. Iemand wordt gestimuleerd zelf de regie te voeren en eigen mogelijkheden te benutten. Voor het versterken van de eigen kracht zijn persoonlijke eigenschappen (wie is de klant?), talenten en vaardigheden (wat kan iemand?), zingeving (wat wil iemand?), krachten en mogelijkheden in de omgeving (wat heeft iemand?) en kennis en ervaring (wat weet iemand?) van belang. De eigen verantwoordelijkheid van de persoon en diens netwerk komt tijdens het onderzoek aan de orde.

Onderstaand zijn voorbeelden van eigen oplossingen aangegeven.

1.1.1.Eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid

De persoon met een ondersteuningsvraag wordt gestimuleerd om eerst eigen mogelijkheden te zien en in te zetten om de ondersteuningsbehoefte op te lossen. Dit kan al aanwezig zijn, omdat het behoort tot het eigen normale leefpatroon. Door voort te zetten wat er al is, ontstaat er geen probleem dat om een oplossing vraagt. De gemeente sluit niemand uit op basis van inkomen en vermogen, maar mag wel nagaan of iemand zelf in een oplossing kan voorzien, ook in financieel opzicht. Als iemand bijvoorbeeld altijd particuliere hulp heeft gehad en vraagt om huishoudelijke hulp via de Wmo 2015, wordt degene geacht dat net als voorheen zelf te regelen, ook al zijn er beperkingen ontstaan. Dat geldt ook bij woonvoorzieningen als iemand zelf kan voorzien in een passende oplossing.

1.1.2. Algemeen gebruikelijke voorziening

Soms kan een ondersteuningsvraag opgelost worden door een algemeen gebruikelijke voorziening. Dit is een voorziening voor iedereen beschikbaar, ongeacht of iemand beperkingen heeft. Wat algemeen gebruikelijk is, hangt ook af van geldende maatschappelijke normen.

Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die:

  1. -

    niet alleen voor iemand met een beperking is bedoeld, én

  2. -

    voor iedereen in de reguliere handel verkrijgbaar is, én

  3. -

    in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten.

In de tijd kan een voorziening die eerst niet als algemeen gebruikelijk werd gezien wel algemeen gebruikelijk worden. Het aanbod en de prijzen van voorzieningen in gewone winkels speelt hierbij een rol, maar ook jurisprudentie (uitspraken van rechters). Voorbeelden zijn een (elektrische) fiets of tandem, een rollator, een verhoogd toilet, thermostatische kraan, zonwering, kinderopvang (buiten schoolse opvang, familie, anders), boodschappendienst, glazenwasser, sportvoorzieningen etc. Zie verder bijlage 1.

1.1.3. Gebruikelijke hulp

Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Dit heeft een verplichtend karakter en is de hulp of ondersteuning die binnen een sociale relatie gewoon is in een gezamenlijk huishouden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om:

  1. -

    het doen van het huishouden;

  2. -

    ondersteuning bieden bij maatschappelijke participatie, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, buurtfeest, bibliotheek etc.;

  3. -

    het bieden van hulp bij of het overnemen van taken, zoals het doen van de administratie;

  4. -

    het verrichten van hand- en spandiensten;

  5. -

    het bieden van dagelijkse structuur binnen het leefritme van huisgenoten, zoals gezamenlijk de maaltijden nuttigen of het ontvangen van bezoek;

  6. -

    het leren omgaan van anderen, zoals familie en vrienden, met de beperkingen van de persoon.

Bij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij hun bijdragen leveren, bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en/of door hand- en spandiensten te verrichten. Iedere volwassene wordt geacht naast een volledige baan of studie bovenstaande gebruikelijke taken op zich te nemen. Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid gedurende een aantal dagen en nachten kunnen niet-uitstelbare taken worden overgenomen.

Als de huisgenoot aangeeft niet te weten hoe een taak moet en dit nooit gedaan heeft, kan korte tijd ondersteuning worden ingezet om het aan te leren.

Er wordt rekening gehouden met eigen beperkingen en gezondheidssituatie van degene die de gebruikelijke hulp verleent. Dit geldt ook als er sprake is van (dreigende) overbelasting, totdat deze is opgeheven. Als de overbelasting veroorzaakt wordt door maatschappelijke activiteiten, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten.

1.1.4. Mantelzorg

Mantelzorg is hulp ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Mantelzorg overstijgt de gebruikelijke zorg en kan geboden worden door huisgenoten of door andere personen uit het sociale netwerk. De mantelzorger is bereid om een substantieel deel of de gehele ondersteuning te bieden en doet dit vrijwillig. Van belang is de balans tussen draagkracht en draaglast van de mantelzorger. Als er sprake is van (dreigende) overbelasting kan de gemeente de mantelzorger ondersteuning bieden, bijvoorbeeld om door te verwijzen naar het Steunpunt Mantelzorg. In geval van een voorziening wordt deze altijd toegekend aan de persoon met een beperking.

1.1.5. Vrijwillige hulp

Vrijwillige hulp kan in diverse vormen plaatsvinden en kan voorkomen dat er een beroep gedaan wordt op een andere voorziening. Voorbeelden zijn: een maatjes project, het verrichten van hand- en spandiensten en dagbestedingsactiviteiten. Een vrijwilliger kan ook meedoen in een algemene voorziening.

1.2. Algemene voorziening

Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van iemand, toegankelijk is voor een bepaalde doelgroep. Het beoogt dat een (deel van) ondersteuningsvraag op het gebied van zelfredzaamheid, participatie en opvang opgelost kan worden. In bijlage 3 zijn voorbeelden opgenomen van een Algemene Voorziening.

Als iemand gebruik kan maken van een algemene voorziening is er geen toegang tot een maatwerkvoorziening voor die ondersteuningsvraag. Bij gebruikmaking van een algemene voorziening kan een bijdrage in de kosten worden gevraagd.

1.3.Andere wetgeving

De Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) de Participatiewet en de Jeugdwet zijn voorliggend op de ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Soms kan het echter samengaan en vindt er afstemming plaats.

1.3.1. Wet langdurige zorg (Wlz)

De Wlz is bedoeld voor: “een verzekerde heeft recht op zorg voor zover hij naar aard, inhoud en omvang redelijkerwijs en uit oogpunt van doelmatige zorgverlening op die zorg is aangewezen omdat hij, vanwege een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap een blijvende behoefte heeft aan:

  1. a)

    permanent toezicht ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de verzekerde of

  2. b)

    24 uur per dag zorg in de nabijheid, omdat hij zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen en hij, om ernstig nadeel te voorkomen”.

De gemeente kan nagaan of iemand toegang heeft tot langdurige zorg via een digitaal toegangsregister om de samenloop vanuit de Wmo 2015-ondersteuning en zorg vanuit de Wlz te checken.

In situaties dat het thuis niet langer veilig en verantwoord is en de ondersteuning vanuit de gemeente kan dit niet verbeteren, dan is de inschatting dat de persoon voldoet aan de criteria van de Wlz. In dergelijke situaties zal de gemeente in contact treden met de persoon of diens vertegenwoordiger en deze verzoeken een onderzoek te ondergaan, gericht op een besluit over de toegang Wlz. De gemeente behoudt de verantwoordelijkheid tot ondersteuning tot het moment dat toegang bepaald is. De gemeente zet zich in om deze overgang zo goed mogelijk te laten verlopen. Indien er gegronde redenen zijn aan te nemen dat de persoon aanspraak kan doen gelden op de Wlz en de persoon weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit, heeft de gemeente de bevoegdheid een maatwerkvoorziening te weigeren, dan wel te beëindigen.

De Wlz geeft recht op een integraal pakket zorg, inclusief hulpmiddelen voor mobiliteit (rolstoel, scootmobiel) en vervoer. Iemand met een indicatie voor Wlz valt niet (meer) onder de Wmo 2015, de uitvoering gaat via het zorgkantoor.

Iemand met een Wlz indicatie die thuis woont (Volledig Pakket Thuis of Pgb) krijgt zijn hulpmiddelen en woningaanpassingen in 2015 nog uit de Wmo 2015. Dit geldt ook voor vervoersvoorzieningen: rolstoelen, scootmobielen en regiotaxi.

Per 2016 gaat dit over naar de Wlz met uitvoering door de zorgkantoren. Er kan geen beroep gedaan worden op een maatwerkvoorziening, maar wel op algemene voorzieningen.

1.3.2. Zorgverzekeringswet (Zvw)

Vanuit de nieuwe aanspraak thuisverpleging worden vanaf 2015 verpleging en verzorging in samenhang geleverd aan iemand met voornamelijk lichamelijke aandoening(en) waarbij ook over het algemeen sprake is van medische problematiek. Ook iemand met dementie wordt onder de aanspraak gepositioneerd.

Alleen als persoonlijke zorg (ADL) onderdeel is van begeleiding valt dit onder de ondersteuning via de Wmo 2015, de zorg is dan niet geneeskundig van aard en er is geen hoog risico op geneeskundige zorg.

Indien behandeling of medicatie (een deel van) de ondersteuningsbehoefte kan wegnemen gaat dit voor op de Wmo 2015. Een persoon kan naast zorg uit de Zvw ook gebruik maken van de Wmo 2015-voorzieningen.

1.3.3. Jeugdwet

Alle ondersteuningsvragen van jongeren onder de 18 jaar op het gebied van zelfredzaamheid en participatie behoren tot de Jeugdwet. Uitzonderingen zijn woningaanpassingen en hulpmiddelen, die blijven onder de Wmo 2015 vallen.

1.3.4. Participatiewet

Iemand die volgens de participatiewet in staat is om regulier werk te verrichten of begeleiding hierbij nodig heeft komt niet in aanmerking voor ‘begeleiding groep’ zoals die in Wmo 2015 bedoeld is. Het is wel mogelijk iemand ondersteuning te bieden vanuit de Wmo 2015 op andere gebieden.

1.4. Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening is een, op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie of beschermd wonen en opvang.

Iemand komt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking als andere mogelijkheden niet of niet voldoende oplossing bieden. Voor een maatwerkvoorziening is een individuele toekenning nodig.

Het kan zijn dat de gemeente een andere organisatie advies vraagt om tot de beoordeling van de individuele toekenning te komen, bijvoorbeeld voor een medisch of bouwkundig advies. Voor maatwerkvoorzieningen geldt in veel gevallen een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. In hoofdstuk 2 zijn de maatwerkvoorzieningen opgenomen die door de gemeente worden ingezet om de ondersteuningsvraag op te lossen.

2Beoordeling van de te bereiken resultaten

Bij de beoordeling van de noodzaak tot een maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van het afwegingskader zoals beschreven in hoofdstuk 1. Er vindt onderzoek plaats op basis van specifieke persoonskenmerken, de situatie van huisgenoten en de sociale omgeving. Indien de persoon (weer) in staat is gebruik te maken van andere voorliggende voorzieningen om de ondersteuningsvraag op te lossen, wordt de maatwerkvoorziening beëindigd.

Een maatwerkvoorziening kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Het college houdt rekening met de belangen van mantelzorgers. Zo kan in geval van (een dreigende) overbelasting van de mantelzorger een voorziening aan de persoon met een beperking worden toegekend.

Het college beoordeelt of er weigeringsgronden zijn waardoor er geen maatwerkvoorziening wordt geboden zoals vastgelegd in artikel 9 van de verordening. Bij elke maatwerkvoorziening wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening, zoals vastgelegd in artikel 8, lid 5 van de verordening.

De Wmo 2015 beoogt de volgende resultaten te bereiken:

2.1. Een schone en leefbare woning

2.2. Wonen in een geschikte woning

2.3. Verplaatsen in-en om de woning

2.4. Lokaal verplaatsen per vervoermiddel

2.5 Begeleiding

2.5.1. Begeleiding groep

2.5.2. Begeleiding individueel

2.6. Mantelzorgondersteuning

2.7. Beschermd wonen en opvang

2.8.1 Maatschappelijke opvang

2.8.2. Opvang wegens huiselijk geweld

2.1Een schone en leefbare woning

Tot een schone en leefbare woning behoort het zwaar en licht huishoudelijk werk. Het gaat bijvoorbeeld om het stofzuigen van de woning, het schoonmaken van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het schoonhouden van de ruimten. Deze ruimten zijn voor dagelijks gebruik noodzakelijk. Het betreft alle activiteiten in huis om deze schoon en leefbaar te houden.

Ten aanzien van eigen verantwoordelijkheid betekent het bij een schone en leefbare woning bijvoorbeeld dat iemand elektrische apparaten of nieuwe technische mogelijkheden gebruikt of op eigen kosten iemand inhuurt voor bepaalde werkzaamheden. Ook al ontstaan er nieuwe beperkingen, dan heeft dat geen invloed op het te bereiken resultaat, omdat immers de werkzaamheden worden voortgezet.

Als het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, kent het college een maatwerkvoorziening toe in uren, waarbij het te bereiken resultaat zal worden opgenomen in het arrangement. Er wordt een urennormering gehanteerd, zie bijlage 4, waarvan afgeweken kan worden, indien hier vanuit het oogpunt van zelfredzaamheid en/of eigen verantwoordelijkheid aanleiding toe is, bijvoorbeeld bij (ernstige) vervuiling van het huis, incontinentie, speekselvloed of allergie. Er kan geen extra tijd berekend worden vanwege de persoonlijke voorkeur van iemand.

2.2Wonen in een geschikte woning

Uitgangspunt is dat iedereen eerst zelf zorg dient te dragen voor een woning. Bij de keuze voor een woning dient iemand uiteraard rekening te houden met de eigen situatie. Dat betekent dat er met bestaande of nog te verwachten beperkingen rekening wordt gehouden. Als de woning dan nog niet geschikt is, kan het college compenseren.

Een eigen woning kan zowel een koopwoning zijn als een huurwoning.

Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Het treffen van voorzieningen in de volgende woonvormen komen niet in aanmerking: hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, woningen die onbewoonbaar zijn verklaard en woningen die bestemd zijn om gesloopt te worden, kamerverhuur en specifiek op personen met beperkingen gerichte woongebouwen zoals AWBZ/Wlz-instellingen, gezamenlijke ruimten van woningen en woongebouwen of voorzieningen die bij (nieuw)bouw, verbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.

Thuiswonende jongeren onder de 18 jaar kunnen voor woningaanpassingen ook een beroep doen op de Wmo 2015.

Ook bij woonvoorzieningen speelt de eigen verantwoordelijkheid een rol. Zo mag van iemand gevraagd worden te anticiperen op beperkingen die te maken hebben met het ouder worden. Bij renovatie van een badkamer kan hiermee rekening gehouden worden door een douche te plaatsen in plaats van een bad, ook al zijn er op dat moment geen beperkingen. Daar spelen natuurlijk allerlei individuele factoren in mee.

Verdere afwegingsfactoren:

  1. a.

    Het college beoordeelt of het resultaat, wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen, zoals de medisch aanvaardbare termijn waarop een woning beschikbaar komt, eventueel aanwezige mantelzorg en de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de belanghebbende, de verhouding tussen de besparing van de gemeente en de gevolgen voor de belanghebbende, afstand tot voorzieningen en de mogelijke gebruiksduur van de oplossing. Een zorgvuldige afweging van argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd.

  2. b.

    Het primaat van verhuizen wordt beoordeeld vanaf een bedrag dat vastgelegd is in het Besluit Maatschappelijke Ondersteuning. Als er sprake is van een aanvraag van een mantelzorgwoning gaat het college ook daarbij uit van de eigen verantwoordelijkheid voor het hebben van een woning. Dit kan door zelf een woning te bouwen of te huren die op het terrein nabij de woning van de mantelzorgers kan worden geplaatst. De kosten van het wonen zijn voor rekening van de belanghebbende. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Voor vergunningverlening wordt de aanvraag getoetst aan de door de gemeente opgestelde voorwaarden voor een mantelzorgwoning.

  3. c.

    Als er geen algemene woonvoorziening beschikbaar is en het primaat van verhuizing niet toegepast kan worden, zal onderzocht moeten worden of het plaatsen van een losse woonunit mogelijk is. Hiervoor moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse woonunit bestaan. Daarbij zal het meestal zo zijn dat er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse woonunit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van de belanghebbende om een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse woonunit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woon unit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat, als de woonunit niet meer nodig is, dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de woonunit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken deel uit van de verstrekking van een losse woonunit.

  4. d.

    Als het gaat om een aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de compenserende voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een extra hypotheek op de woning te vestigen en de kosten daarvan blijven beperkt, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden.

  5. e.

    Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd met een programma van eisen, waarbij meerdere offertes opgevraagd worden. De gemeente beoordeelt welke bouwofferte in aanmerking komt voor het verlenen van een vergoeding:

  6. -

    voor aanpassingen tot en met € 1.000,-- moet minimaal één offerte ingediend worden;

  7. -

    voor woningaanpassingen vanaf € 1.000,-- tot en met € 5.000-- moeten minimaal twee offertes ingediend worden;

  8. -

    voor woningaanpassingen vanaf € 5.000,-- moeten minimaal drie offertes ingediend worden.

Van het indienen van een offerte kan worden afgezien als het college vaste eenheidsprijzen heeft afgesproken. De vastgestelde eenheidsprijs is in dat geval gelijk aan de verstrekking. Het college kan per aanvraag nader een maximum totaalbedrag bepalen bij de verstrekking van eenheidsprijzen.

  1. f.

    Het aanpassen van doelgroepengebouwen kan alleen in aanmerking komen wanneer er sprake is van een aanpassing die niet als standaard noodzakelijke voorziening voor de doelgroep kan worden gekwalificeerd. Hierover maakt het college afspraken met de eigenaar van deze woningen.

  2. g.

    Een bouwkundige aanpassing aan een woning wordt verstrekt in de vorm van een Pgb aan de belanghebbende die ook eigenaar van de woning is en in de vorm van zorg in natura via aan de eigenaar van de woning als de belanghebbende niet zelf eigenaar is.

  3. h.

    Een niet-bouwkundige aanpassing aan de woning kan door het college in natura en als Pgb worden verstrekt aan de belanghebbende.

  4. i.

    Het verhuizen van een geschikte woning naar een ongeschikte woning komt niet in aanmerking voor compensatie.

  5. j.

    In bijlage 5 staan de in aanmerking komende kosten voor compensatie bij bouwkundige- of bouwtechnische aanpassingen.

    2.3Verplaatsen in en om de woning

Bij het verplaatsen in en om de woning gaat het om het zich verplaatsen met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik in en om de woning. Dat betekent dat het verplaatsingen betreft die direct en vanuit de woning worden gedaan, zoals woonkamer, slaapkamer, toilet, douche, tuin, balkon.

Ook bij verplaatsen speelt de eigen verantwoordelijkheid een rol, bijvoorbeeld als beoordeeld is dat hulpmiddelen zoals een rollator of alternatieve oplossingen zoals een herindeling van de meubels volstaan.

Tot de voorziening verplaatsen in en om de woning behoort niet een rolstoel voor incidenteel gebruik voor langere afstanden elders, bijvoorbeeld voor winkelen of tijdens uitstapjes. Een dergelijke rolstoel wordt eventueel versterkt zoals beschreven bij 2.4.

Verdere afwegingsfactoren:

  1. a.

    Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.

  2. b.

    Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een Pgb.

  3. c.

    Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking.

  4. d.

    Bij een verstrekking als Pgb wordt de rolstoel die belanghebbende zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.

Zou belanghebbende een geschikte, gebruikte rolstoel ontvangen hebben, dan zal het te verstrekken bedrag gebaseerd zijn op deze rolstoel, qua prijs maar ook qua beperkte levensduur vanwege het al afgeschreven deel. Indien de rolstoel na de economische afschrijvingstermijn wordt beoordeeld en technisch nog niet is afgeschreven en daarnaast nog in voldoende mate compenseert, zal de vervanging van de rolstoel uitgesteld worden (net zoals bij verstrekking in natura).

2.4Lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon-en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Dit betreft deelname aan maatschappelijk verkeer om anderen te ontmoeten, boodschappen te doen, etc. Bij lokaal verplaatsen moet gedacht worden aan verplaatsingen in een straal van 15 tot 20 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS verricht. Een collectief vervoersysteem kan de prioriteit hebben, zodat de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt kan worden, mits men rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Net als voor personen zonder beperkingen geldt, dient men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief.

Ook bij verplaatsen speelt de eigen verantwoordelijkheid een rol, bijvoorbeeld het kunnen oplossen van een vervoersprobleem in eigen kring. Ook het openbaar vervoer en fietsen met een bijzondere uitvoering, zoals fietsen met trapondersteuning en dergelijke kan een oplossing zijn. Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn opgenomen in bijlage 2.

Verdere afwegingsfactoren;

a.Aan de hand van de vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de belanghebbende. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1500-2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Indien daar aanleiding voor is kan het college dit aantal ophogen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden wat invloed kan hebben op het aantal kilometers. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft herhaaldelijk geoordeeld dat 1500-2000km per jaar kunnen reizen in beginsel algemeen aanvaardbaar is, zie CRvB 29-02-2012 BV 7463 Wmo.

Met een toekenning van 800 reiszones voldoet het college in de regel aan de vervoersbehoefte. Na 800 zones kan iedere pashouder onder de gebruikelijke voorwaarden gebruik maken van de regiotaxi.

  1. b.

    Bij personen met een loopafstand tot 100 meter zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.

  2. c.

    Indien collectief vervoer niet mogelijk of niet beschikbaar is, kan het college een individuele voorziening in de vorm van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget te besteden aan vervoer verstrekken.

  3. d.

    Als er na het optreden van beperkingen geen sprake is van een andere situatie op vervoersgebied dan daarvoor, zal er geen noodzaak zijn tot het verstrekken van een voorziening, omdat er geen probleem is of omdat men het zelf kan oplossen. Dat kan anders zijn wanneer door het optreden van de beperkingen ook het inkomen daalt.

  4. e.

    Bij een persoonsgebonden budget is de voorziening die de belanghebbende als voorziening in natura zou ontvangen voor het college uitgangspunt voor de hoogte van het bedrag. Zou belanghebbende een geschikte, gebruikte voorziening ontvangen hebben, dan zal het te verstrekken bedrag gebaseerd zijn op deze voorziening, qua prijs maar ook qua beperkte levensduur vanwege het al afgeschreven deel. Indien deze voorziening na de economische afschrijvingstermijn, wordt beoordeeld en technisch nog niet is afgeschreven en daarnaast nog in voldoende mate compenseert, zal de vervanging uitgesteld worden (net zoals bij verstrekking in natura).

  5. f.

    Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen. Zo kan het dat de mantelzorger mee wordt vervoerd (vanwege de noodzaak tijdens het vervoer in te grijpen) zodat het vervoer van de mantelzorger als noodzakelijke begeleider gratis plaats vindt.

    2.5Begeleiding

Onder ‘begeleiding’ wordt in de Wmo 2015 verstaan: “activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven’.

Het doel van begeleiding is om zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, te behouden of te compenseren. Zonder deze ondersteuning moet de persoon verblijven in een instelling of is er sprake van risico op verwaarlozen. Zelfredzaamheid (in relatie tot begeleiding) betreft de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de persoon in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

Een persoon die een ondersteuningsvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid of het zelfstandig participeren ontvangt begeleiding als dit niet op een andere manier opgelost kan worden.

Dit vindt plaats in de vorm van begeleiding groep of begeleiding individueel en is gericht op de vraag van de persoon en zijn omgeving. De duur van is passend bij de ondersteuningsvraag, lang waar nodig en kort waar mogelijk.

Begeleiding is primair gericht op het (her)krijgen van zelfregie in de vorm van:

  1. -

    structureren van de dag;

  2. -

    praktische hulp en/of ondersteuning;

  3. -

    gedragsproblemen reguleren;

  4. -

    dagbesteding ter vervanging van werk;

  5. -

    toezicht bieden;

  6. -

    afstemming en ondersteuning van de mantelzorger ten behoeve van de cliënt.

2.5.1. Activiteiten en taken bij begeleiding

Activiteiten en taken die behoren bij begeleiding bestaan uit:

  1. -

    het uitvoeren dan wel het ondersteunen bij en/of oefenen van handelingen en vaardigheden die de zelfredzaamheid (inclusief gestructureerd huishouden) en participatie tot doel hebben;

  2. -

    het compenseren of herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van een cliënt die onvoldoende of geen regie heeft over het eigen leven;

  3. -

    het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijkse leven door herhaling en methodische interventie.

  4. -

    signaleren van algeheel functioneren: dit om terugval te voorkomen of als er noodzaak is tot zorginzet vanuit andere domeinen.

Begeleiding wordt geboden als basisbegeleiding, ondersteuning bij gedrag en/of ondersteuning bij Activiteiten van het Dagelijks Leven (ADL), passend bij de ondersteuningsvraag.

  1. a.

    basisbegeleiding wordt geboden als er bijvoorbeeld beperkingen zijn bij:

  2. -

    regievoeren;

  3. -

    verminderde concentratie;

  4. -

    geheugen en denken;

  5. -

    perceptie van omgeving oriëntatiestoornissen (in persoon, ruimte, tijd en/of plaats);

  6. -

    begrijpen wat anderen zeggen;

  7. -

    een gesprek voeren;

  8. -

    initiëren en uitvoeren eenvoudige taken;

  9. -

    besluiten nemen;

  10. -

    communicatiehulpmiddel gebruiken;

  11. -

    dagelijkse bezigheden;

  12. -

    problemen oplossen en besluiten nemen;

  13. -

    dagelijkse routine regelen;

  14. -

    zelf geld beheren;

  15. -

    initiëren en uitvoeren complexere taken;

  16. -

    zelf administratie zaken bijhouden.

  17. b.

    Ondersteuning bij gedrag als basisbegeleiding onvoldoende oplossing biedt bij ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregulerend vermogen of bij gedragsproblemen zoals bijvoorbeeld:

  18. -

    destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk);

  19. -

    dwangmatig gedrag;

  20. -

    lichamelijk agressief gedrag;

  21. -

    manipulatief gedrag;

  22. -

    verbaal agressief gedrag;

  23. -

    zelf verwondend of zelfbeschadigend gedrag;

  24. -

    grensoverschrijdend seksueel gedrag.

  25. c.

    Ondersteuning bij algemeen dagelijkse levensverrichtingen (ADL) als iemand behoefte heeft aan aanvullende ondersteuning hierbij, wat niet ingegeven is door een behoefte aan geneeskundige zorg. Het gaat meestal aan ondersteuning en begeleiding bij het laten uitvoeren van zelfzorg door de persoon als ware in het verlengde van de overige benodigde begeleiding. Het vindt plaats met de handen op de rug, door de persoon structuur en stimulans te bieden bij bijvoorbeeld:

  26. -

    in en uit bed gaan;

  27. -

    zich wassen;

  28. -

    zich kleden;

  29. -

    eten en drinken.

2.5.2. Mate van beperkingen sociale redzaamheid in relatie tot voorzieningen.

De mate van beperkingen van een persoon kan een relatie hebben met het soort voorziening dat een adequate oplossing biedt voor de ondersteuningsvraag, zoals opgesteld in het arrangement.

Tijdens het onderzoek wordt nagegaan welke beperkingen iemand ervaart in het dagelijks leven. Een combinatie van mate van beperkingen op verschillende gebieden is mogelijk. Het uitvragen is grotendeel gebaseerd op de huidige methodiek van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) bij het beoordelen van begeleiding.

Onderstaande indeling is hiervoor een richtlijn

a.Lichte beperkingen

Iemand die lichte beperkingen ervaart bij dagelijkse activiteiten en een ondersteuningsvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid, zal meestal voldoende ondersteund kunnen worden door eigen netwerk of met behulp van diensten vanuit de algemene voorzieningen. Er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken, enige aansturing of ondersteuning nodig.

Onder lichte beperkingen wordt verstaan:

  1. -

    iemand die lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten;

  2. -

    iemand die enige stimulans en/of toezicht nodig heeft om het sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en geld te beheren;

  3. -

    het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, het werk, met het sociale netwerk;

  4. -

    kan zelf om hulp vragen;

  5. -

    iemand die lichte gedragsproblemen heeft die enige bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid;

  6. -

    iemand die lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan verschillend zijn, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid;

  7. -

    iemand die lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op.

  8. b.

    Matige beperkingen

Iemand die matige beperkingen ervaart bij dagelijkse activiteiten en een ondersteuningsvraag heeft op het gebied van zelfredzaamheid kan mogelijk in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening. Er is hulp/ondersteuning nodig en soms overname van taken. Het netwerk kan dit niet of deels bieden; er is risico op verslechtering of verwaarlozing. De zelfredzaamheid is beperkt, waardoor er (deskundige) hulp nodig is bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. De persoon kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening, als andere voorzieningen niet toereikend zijn. Onder matige beperkingen wordt verstaan:

  1. -

    het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) is niet vanzelfsprekend;

  2. -

    communicatie: niet goed begrijpen wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kunnen maken;

  3. -

    gedragsproblemen;

  4. -

    problemen met concentratie en informatieverwerking;

  5. -

    problemen met het herkennen van personen en zijn omgeving.

  6. c.

    Ernstige beperkingen

Iemand met ernstige beperkingen ervaart de zelfredzaamheidsproblemen die zo groot zijn dat overname van taken nodig is. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de persoon afhankelijk van de hulp van anderen. Er is (deskundige) begeleiding nodig, meestal in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als er risico is op gevaar en/of continu hulp of begeleiding nodig dan toegang tot Wlz overwegen. Onder ernstige beperkingen wordt verstaan:

  1. -

    complexe taken zijn niet mogelijk, soms ook eenvoudige taken

  2. -

    communiceren gaat moeizaam.

  3. -

    niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten kunnen nemen

  4. -

    steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren;

  5. -

    ernstig probleemgedrag;

  6. -

    ernstige problemen met concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving;

  7. -

    ernstige problemen in het herkennen van personen en in oriëntatie.

2.5.3 Begeleiding groep of begeleiding individueel

Begeleiding kan geboden worden in de vorm van begeleiding groep of begeleiding individueel.

Uit het oogpunt van goedkoopst adequaat is begeleiding groep voorliggend op begeleiding individueel als hetzelfde doel wordt beoogd. Ook kunnen beide vormen gecombineerd passend zijn, maar dat kan niet op hetzelfde moment plaatsvinden.

De verschuiving van begeleiding individueel naar begeleiding groep maakt deel uit van de beoogde transformatie.

a.Begeleiding groep

Wanneer begeleiding gericht is op daadwerkelijk bieden van dagstructuur, is begeleiding groep de aangewezen vorm. Daar waar mogelijk ook met inzet van vrijwillige hulp. Als bepaalde activiteiten geclusterd kunnen worden, is er de mogelijkheid dit in groepsverband aan te bieden, bijvoorbeeld het doen van administratie, agendabeheer etc.

De activiteiten in groepsverband zijn programmatisch (dag-weekprogramma), methodisch, gericht op het structuren van de dag, praktische ondersteuning, oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen.

Als een reguliere baan tot de mogelijkheden behoort of de inzet van recreatieve dan wel arbeidsmatige dagbesteding voldoet aan de ondersteuningsvraag, gaat dit voor op begeleiding groep.

Omvang

De omvang wordt bepaald door het beoogde resultaat en de belastbaarheid van de persoon. Het wordt vastgesteld in dagdelen, waarbij een dagdeel maximaal 4 uur is, tot een maximum van 9 dagdelen, vergelijkbaar met een fulltime werkweek. Beoogd wordt:

  1. -

    het bieden van een dagprogramma al dan niet in een aangepaste vorm van arbeid;

  2. -

    het bieden van activiteiten gericht op dagstructurering om zelfredzaamheid en cognitieve vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren;

  3. -

    het bieden van toezicht.

Vervoer

De noodzaak voor vervoer, van en naar de locatie waar de begeleiding groep plaatsvindt, wordt bepaald bij de toegang en is opgenomen in het arrangement. Als iemand in staat is om zelfstandig te reizen met openbaar vervoer of met eigen vervoersmiddel, is dat voorliggend. Dat geldt ook als de persoon door iemand anders gehaald en gebracht kan worden.

Toezicht tijdens het vervoer moet worden geboden door de vervoerder, indien medisch toezicht noodzakelijk is, kan een beroep op de Zvw gedaan worden.

b.Begeleiding individueel

Begeleiding individueel vindt in de eigen omgeving van de persoon plaats, face-to-face en waar mogelijk via webcam, telefonisch contact of met behulp van technische hulpmiddelen.

Wanneer de ondersteuningsbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week hulp bieden bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en er geen daadwerkelijke dagstructuur geboden hoeft te worden, is begeleiding individueel de aangewezen vorm.

Omvang:

De omvang en frequentie van begeleiding individueel is afgestemd op het beoogde resultaat en de belastbaarheid van de persoon. Het wordt vastgelegd in uren, tot een maximum van 25 uur op basis van benodigde activiteiten. Er moet ook een inschatting gemaakt worden of de persoon voldoet aan de criteria van de Wlz. Bij begeleiding individueel wordt rekening gehouden met de duur van de activiteit, de planbaarheid, bereikbaarheid van de zorgverlener bij niet planbare taken. Beoogd wordt:

  1. -

    het structureren van de dag;

  2. -

    het bieden van praktische hulp bij vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen;

  3. -

    het reguleren van gedragsproblemen;

  4. -

    het bieden van toezicht.

    2.6Mantelzorgondersteuning

Mantelzorgers vinden het bieden van hulp aan anderen meestal vanzelfsprekend, de relatie met de persoon die ondersteuning nodig heeft, zorgt ervoor dat iemand gaat helpen. Tijdens de onderzoeksfase wordt dit in kaart gebracht, evenals de eventueel dreigende overbelasting.

Mantelzorg overstijgt gewoonlijk de gebruikelijke hulp. Als de mantelzorger ondersteuning biedt kan dat zo zwaar worden dat er sprake is van (dreigende) overbelasting.

Ondersteuning is dan belangrijk om de taak van de mantelzorger vol te kunnen houden door ‘vrij te zijn’ van zorg. De ondersteuning is dan bedoeld voor de persoon met een beperking.

Als er een maatwerkvoorziening wordt toegekend in de vorm van een pgb kan deze niet door de mantelzorger worden ingevuld: het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting.

Er zijn verschillende manieren om de zorgtaak ten behoeve van de persoon aan wie mantelzorg wordt verleend te verlichten, zoals:

  1. -

    het inzetten van eigen netwerk om bijvoorbeeld een paar uur zorg over te nemen;

  2. -

    het inzetten van een vrijwilliger;

  3. -

    ondersteuning door MEE;

  4. -

    gebruik maken van welzijnsactiviteiten;

  5. -

    het inzetten van begeleiding groep;

  6. -

    het inzetten van begeleiding individueel door professionele hulp;

  7. -

    het inzetten van kortdurend verblijf (logeren). Dit is mogelijk onder de voorwaarden zoals onderstaand geformuleerd.

2.6.1. Kortdurend verblijf

Kortdurend verblijf is logeren gedurende maximaal 2 etmalen per week. Dit is bedoeld om overbelasting van de mantelzorger te voorkomen of te compenseren als:

  1. -

    er in de thuissituatie dagelijkse begeleiding op afroep nodig is. Dit betekent dat er ondersteuning geboden moet worden op ongeregelde en/of frequente tijden als de persoon alarmeert en hierom vraagt

  2. -

    én: dit door de mantelzorger geboden wordt

  3. -

    én: de andere vormen van mantelzorgondersteuning niet voldoende oplossing bieden.

Het is mogelijk om de etmalen op te sparen om een langere periode te logeren om de mantelzorger de gelegenheid te geven op vakantie te gaan of in geval van plotselinge uitval van de mantelzorger als dit niet anders op te lossen is.

Voor de persoon die op basis van zorgzwaarte over de toegangsdrempel van de Wlz komt, is het mogelijk om alle zorg die nodig is vanuit de Wlz thuis te ontvangen in combinatie met logeren. Dit is geen onderdeel van de Wmo 2015, de zorgkantoren zijn verantwoordelijk voor het inkopen van deze zorg.

2.6.2. Mantelzorgwaardering

Op basis van artikel 18 van de Verordening bepaalt het college op welke manier ze zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering van mantelzorgers.

Artikel 2.1.6 van de Wmo 2015 stelt dat het gaat om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. De woonplaats van de cliënt is bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Het college waardeert jaarlijks de mantelzorgers door het organiseren van activiteiten voor mantelzorgers gericht op waardering voor hun inzet.

2.7. Beschermd wonen en opvang

Als iemand niet voldoende voor zichzelf kan zorgen, dakloos wordt of er ontstaat onveiligheid biedt de gemeente opvang en bescherming met als doel dat zo, snel als mogelijk en gewenst, iemand weer mogelijkheden te bieden zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het gaat dan om:

  1. -

    de inzet van maatregelen, activiteiten en voorzieningen (waaronder het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK)) om daarmee huiselijk geweld te voorkomen en te bestrijden waaronder opvangvoorzieningen voor inwoners die of omdat zij de thuissituatie hebben verlaten, in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld;

  2. -

    een maatwerkvoorzieningen beschermd wonen (en daarmee een veilige woonomgeving) te bieden aan iemand die niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, als gevolg van psychische of psychosociale problemen;

  3. -

    algemene of maatwerkvoorzieningen maatschappelijke opvang (en daarmee een veilige woonomgeving) te bieden aan een persoon die niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en mede als gevolg daarvan dakloos is geworden.

De centrumgemeente Zwolle heeft naast haar lokale verantwoordelijkheid ook een centrum gemeentelijke rol voor de regio, zoals voor Nunspeet. Daarnaast zetten we volop in op het sneller uitstromen uit voorzieningen voor opvang en beschermd wonen. Als iemand geen beschermd wonen of opvang meer nodig heeft, zal hij vaak nog wel begeleiding in de thuissituatie krijgen. Aangezien dit een lokale verantwoordelijkheid betreft zal de centrumgemeente afspraken maken over een vloeiende overgang. Continuïteit van zorg is hierbij een gezamenlijke taak.

2.7.1. Aanpak huiselijk geweld

Huiselijk geweld waaronder kindermishandeling grijpt zeer in op de levens van onze inwoners. Het is dan ook van het grootste belang vanuit onze verantwoordelijkheid in het kader van de Wmo 2015 een doeltreffende en adequate aanpak te doen plaatsvinden, waarbij er een goede samenwerking is tussen welzijn, zorg, politie en justitie alsmede gemeenten en centrumgemeente. Bij de aanpak staat de veiligheid voorop, waarbij eventuele kinderen centraal staan

Een van de instrumenten voor een meer geïntegreerde aanpak is de realisatie van het Advies- en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling (AMHK). Per januari 2015 is er samenvoeging van het Steunpunt huiselijk geweld met het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en heet dit landelijk ‘Veilig Thuis’. Het doel is om samenhang te brengen in de aanpak en één advies- en meldpunt te hebben van huiselijk geweld en van kindermishandeling.

Veilig Thuis is beschikbaar voor advies, doet onderzoek en onderneemt desgewenst passende actie naar aanleiding van een melding. Het uitgangspunt is maximaal in te zetten op preventie, als ingrijpen nodig is wordt zo licht mogelijk, maar zo zwaar als nodig ingezet. Preventie en vroegsignalering zijn daarbij belangrijk, waarbij de eigen kracht en de sociale omgeving, soms met dwang en hulp, elkaar kunnen versterken. Sluitstuk van de aanpak zijn de opvangvoorzieningen als iemand de thuissituatie heeft verlaten.

Daarnaast is er een crisisdienst beschikbaar. In 2015 wordt de spoedzorg bovenregionaal geregeld. Uiterlijk 1 januari 2017 is het geïntegreerde Veilig Thuis operationeel, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld.

2.7.2. Beschermd wonen (ggz)

Voor de gemeente is ‘beschermd wonen’ een nieuwe verantwoordelijkheid in het kader van de Wmo 2015. Beschermd wonen in de Wmo 2015 is: “wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische aandoeningen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving”.

Samen met de centrumgemeente Zwolle en de regiogemeenten wordt ingezet op het bieden van continuïteit van zorg, het sturen op maatschappelijk resultaat en een goede balans tussen het bevorderen van participatie en het bieden van bescherming. Het streven is om met maatschappelijke partners en regiogemeenten iedereen in staat te stellen zo lang mogelijk zelfstandig te laten wonen.

2.7.3 Maatschappelijke opvang

Middels maatschappelijke opvangvoorzieningen biedt de gemeente samen met de centrumgemeente en regiogemeenten iemand die dakloos is geworden en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, onderdak en begeleiding. Dit draagt bij aan de kwaliteit van leven en kan overlast voorkomen.

Binnen de maatschappelijke opvang wordt ingezet op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van de dak- of thuisloze, zodat hij in staat is om zelfstandig deel te nemen aan de samenleving en zo zelfstandig mogelijk te wonen. Een voorbeeld is het project “kansrijk wonen” voor de doelgroep kwetsbare jongeren. Dagactivering is een belangrijk onderdeel van de maatschappelijke opvang.

3 Verstrekkingsvormen eneigen bijdragen

De Wmo 2015 biedt de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken in de vorm van Zorg in natura (Zin) of Persoonsgebonden budget (Pgb). Bij een algemene voorziening is er geen Pgb mogelijk, er is geen sprake van een verstrekking, omdat er geen toekenningsbeschikking wordt afgegeven.

3.1 Verstrekking in Natura

Bij Zorg in natura wordt bedoeld dat de gemeente de belanghebbende een voorziening verstrekt, die hij of zij kant en klaar krijgt. De voorziening kan in eigendom, bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening worden verstrekt.

3.2 Persoonsgebonden budget

In art 2.3.6. van de Wmo 2015 wordt geregeld dat het college, indien de persoon dit wenst, iemand een Pgb verstrekt om hem in staat te stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelingen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken. Art.12 in de Verordening bevat nadere regels omtrent het verstrekken van een Pgb.

De uitvoeringsregels staan beschreven in het document: “uitvoeringsregels Pgb in de Wmo en de Jeugdwet, RNV gemeenten en Zeewolde, 2015”.

3.3 Bijdrage in de kosten

a.Artikel 13 lid 1 van de Verordening bepaalt dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd als iemand gebruik maakt van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntenondersteuning.

Bij gebruikmaking van een maatwerkvoorziening is een eigen bijdrage verschuldigd op grond van art. 13 lid 2, sub b van de Verordening.

3.3.1. Hoogte eigen bijdragen

De hoogte van de bijdrage in de kosten wordt door het college vastgesteld in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet.

3.3.2. Inning eigen bijdragen

Het CAK (Centraal Administratie Kantoor) is bij wet aangewezen als de landelijke instantie die de eigen bijdrage/eigen aandeel oplegt en int. De reden hiervoor is dat bij de eigen bijdrage/eigen aandeel een anticumulatiebeding geldt. Hiermee wordt stapeling van eigen bijdragen voorkomen, dit geldt voor zowel de Wmo 2015 als de Wlz. De Wmo 2015 is voorliggend bij de vaststelling van de eigen bijdrage/aandeel. Dit betekent dat als een belanghebbende zowel een eigen bijdrage moet betalen voor de Wmo 2015 als voor Wlz-zorg, en daardoor boven het maximum bedrag uit komt, de eigen bijdrage/aandeel van de Wmo 2015 voor gaat op de eigen bijdrage in de Wlz. Het CAK stelt de maximale eigen bijdrage/aandeel vast die aan een belanghebbende kan worden opgelegd in het kader van de Wmo 2015 en/of de AWBZ. De eigen bijdrage mag de maximale grens, die is vastgelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning, niet te boven gaan. Ook mag de eigen bijdrage of het eigen aandeel niet meer bedragen dan de kostprijs van de voorziening.

Het CAK bepaalt aan de hand van het verzamelinkomen van de belanghebbende de hoogte van de maximale eigen bijdrage die per periode van vier weken kan worden opgelegd. Het CAK krijgt de gegevens over het verzamelinkomen aangeleverd door de Belastingdienst. De eigen bijdrage over het desbetreffende jaar wordt gebaseerd op het verzamelinkomen van twee jaar daarvoor. Bijvoorbeeld: de eigen bijdrage over het jaar 2015 wordt gebaseerd op het verzamelinkomen over het jaar 2013.

Op de website van het CAK staat een rekenprogramma waarmee de eigen bijdrage kan worden berekend.

4 Procedure van melding naar oplossing

Toegang tot de maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 wordt verleend via toeleiding naar een algemene voorziening of via verstrekking van een toekenningsbeschikking waaruit blijkt dat de persoon met hulpvraag in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De Wmo 2015 bevat een aantal wettelijk voorgeschreven bepalingen ten aanzien van de te volgen procedure. Zie artikel 2.3.2 en artikel 2.3.5. De verordening beschrijft in hoofdstuk 2 vervolgens het proces van de toegang tot diverse vormen van ondersteuning.

4.1 Het proces van melding en onderzoek

4.1.1. Het eerste contact en de melding

Iemand kan zich op verschillende manieren bij de gemeente melden, persoonlijk, telefonisch, schriftelijk of per e-mail. Hierbij kan een persoonlijk plan gevoegd zijn, waarin staat wat hij nodig denkt te hebben om weer maatschappelijk mee te kunnen doen en zelfredzaam te zijn. Ook dient de mogelijkheid geboden te worden om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan te overhandigen. De cliënt kan zich bij laten staan door iemand uit zijn eigen omgeving of een onafhankelijk cliëntondersteuner zoals vermeld in de “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Nunspeet 2015”.

De medewerker die de melding aanneemt, zal de melding en, indien aanwezig, het persoonlijk plan registreren. De persoon kan zich laten bijstaan door iemand uit zijn eigen omgeving of een cliëntondersteuner. Zo mogelijk wordt gevraagd wat zelf al geprobeerd is om het probleem op te lossen. Als het probleem niet direct opgelost kan worden met bijvoorbeeld een eenvoudig advies of doorverwijzing, wordt overgegaan naar een onderzoek door middel van een gesprek. Niet bij elke melding is een uitgebreid onderzoek nodig. Degene die de melding aanneemt, kan besluiten dat er direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening gedaan kan worden. Voorafgaand aan het onderzoek worden alle van belang zijnde en toegankelijke gegevens verzameld en wordt binnen 5 werkdagen een afspraak gemaakt voor een gesprek. Na de melding dient het college zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit te voeren.

4.1.2. Het gesprek

Iemand kan niet direct een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen, eerst wordt onderzoek gedaan middels een persoonlijk gesprek. De plaats waar het onderzoek plaatsvindt, wordt afgestemd op de mogelijkheden en vindt vaak plaats bij de persoon thuis (het keukentafelgesprek). Over het algemeen is een mantelzorger of cliëntondersteuner van MEE of een ouderenadviseur aanwezig. De ondersteuningsvraag wordt verhelderd, er vindt onderzoek plaats en het te bereiken resultaat wordt benoemd.

4.1.3 Het onderzoek

  1. -

    Het college onderzoekt vervolgens de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of met voorliggende voorzieningen in de vorm van algemene- of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening. Ook worden de mogelijkheden onderzocht om met mantelzorg of met hulp van personen uit zijn sociaal netwerk of vrijwilligersdiensten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, om te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening.

  2. -

    Er dient uiteraard ook te worden afgewogen in hoeverre er mogelijkheden zijn om door middel van andere voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

  3. -

    Indien geen mogelijkheden gebleken zijn, door het benutten van de eigen kracht, door inzet van gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp vanuit het sociale netwerk, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een combinatie daarvan, wordt onderzocht of een maatwerkvoorziening een geschikte ondersteuningsvorm is.

  4. -

    In bepaalde situaties is het noodzakelijk om onafhankelijk vast te laten stellen of er sprake is van een medische noodzaak voor de gevraagde ondersteuning. De persoon met hulpvraag dient mee te werken aan dit medisch onderzoek, zodat het college tot een juiste beoordeling kan komen. Uit de jurisprudentie blijkt dat indien een aanvrager geen medewerking verleent de aanvraag afgewezen mag worden op grond van de onmogelijkheid voldoende onderzoek te doen, mits het inderdaad zo is dat zonder dit onderzoek de medische noodzaak niet vast te stellen is. Het college beoordeelt het medisch advies en neemt dit mee als grondslag voor het door hun te nemen besluit.

4.1.4. Het arrangement

Na afronding van het onderzoek wordt een arrangement opgesteld en vastgelegd in een verslag. De cliënt ontvangt hiervan binnen 7 werkdagen een afschrift. Het arrangement kan bestaan uit een combinatie van inzet eigen kracht, inzet netwerk van de burger, inzet van een algemene voorziening en inzet van een maatwerkvoorziening. Dit kan een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 zijn, maar het kan ook een andere voorziening (bijvoorbeeld bijstand, schuldhulpverlening, psychische ondersteuning) of een combinatie zijn.

4.1.5. De maatwerkvoorziening

Indien na het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening de enige juiste ondersteuningsvorm is, dient deze via de officiële weg te worden aangevraagd. Dit gebeurt door het invullen en indienen van een aanvraagformulier. Ook een ondertekend onderzoeksverslag kan dienen als aanvraagformulier.

Indien over wordt gegaan tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt ook onderzocht en medegedeeld of de cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is. Tevens dient de keuze voor een Pgb te worden medegedeeld en uitgelegd. Het college geeft binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking af. Na verzending van de beschikking, draagt het college bij toekenning van een voorziening in natura ook zorg voor inzet van de juiste ondersteuning via de zorgaanbieder(s).

Indien het de toekenning van een Pgb betreft, draagt het college zorg voor overheveling van het budget aan de SVB en verzending van de beschikking aan de SVB.

4.2. Spoed

Het college treft in spoedeisende gevallen een passende tijdelijke maatregel in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

4.3. Herziening, intrekking en terugvordering

De cliënt dient het college te allen tijde op de hoogte te stellen van gewijzigde feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het recht op maatschappelijke ondersteuning. Dit kan gaan om een verbetering of verslechtering van de gezondheidssituatie, gezinsuitbreiding of bijvoorbeeld een verhuizing. Artikel 2.3.10, lid 1 van de Wmo 2015 en artikel 17 van de Verordening bepalen wanneer een reeds toegekende voorziening kan worden herzien, ingetrokken of teruggevorderd.

4.4. Hardheidsclausule

Door middel van een clausule die in artikel 22 van de Verordening is opgenomen kan het college bij uitzondering een besluit nemen dat afwijkt van de wet- en regelgeving binnen de Wmo 2015. Dit is altijd een besluit dat in het voordeel van de belanghebbende uitpakt. De clausule zorgt er voor dat de verordening zo rechtvaardig mogelijk toegepast kan worden. Het betreft hier veelal een bijzondere, individuele situatie die aanleiding geeft om bij uitzondering af te wijken van de reguliere bepalingen. Het college moet ter voorkoming van precedentwerking duidelijk aangeven waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.

4.5. Bezwaarprocedure

Artikel 7:1 van de Awb bepaalt dat de belanghebbende altijd een bezwaar mag indienen als deze het niet eens is met het besluit dat het college van burgemeester en wethouders genomen heeft. Het college streeft ernaar, voordat een negatief of afwijkend besluit valt, belanghebbende in de gelegenheid te stellen hierop te reageren, zodat door het college gemaakt eventuele fouten hersteld kunnen worden.

Bijlage 1: Begripsomschrijvingen

Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

Gezamenlijk huishouden: hiervan is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar.

Huisgenoot: onder huisgenoot wordt een persoon verstaan die- ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar zijn ook inwonende ouders. Of sprake van inwoning is, wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen en voordeur door elkaar lopen.

Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt vereend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Mantelzorg is niet-verplichte zorg die de gebruikelijke zorg overstijgt, waardoor er geen of deels overige zorg nodig is. Bij mantelzorg is cliëntsoevereiniteit van toepassing. Het staat de iemand vrij mantelzorg wel of niet te accepteren.

Ouder: de ouder is degene die feitelijk de dagelijkse verzorging en/of opvoeding van een minderjarige op zich heeft genomen. Een pleegouder is gelijk aan een ouder.

Overbelasting: er is sprake van (dreigende) overbelasting als er een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast is waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand (aan partner of kind) biedt. Niet alleen het uitvoeren van taken, maar ook het continue aanwezig en alert moeten zijn van de gebruikelijke verzorger kan erg belastend zijn.

Partner: huisgenoot met wie de verzekerde is gehuwd of een relatie onderhoudt die daarmee gelijk wordt gesteld.

Respijtzorg: Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin degene die feitelijk gebruikelijke zorg op zich dient te nemen, daartoe niet in staat is vanwege (dreigende) overbelasting. Dit is ook niet anders op te lossen.

Bijlage 2: Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening waarvan verwacht kan worden dat ook iemand zonder beperkingen deze voorziening aan kan schaffen. Een dergelijke voorziening is niet specifiek bedoeld voor mensen met een beperking, maar is een voorziening die door alle inwoners aangeschaft kan worden. Feit is dat wat vandaag de dag nog een bijzondere voorziening is, binnen afzienbare tijd een gangbaar artikel in de winkel kan zijn en dus mogelijk algemeen gebruikelijk.

Wat algemeen gebruikelijk precies is, wordt regelmatig getoetst aan algemeen maatschappelijke normen. Het begrip algemeen gebruikelijk gaat volgens de vaste rechtsregels van de Centrale Raad van Beroep op als een zaak voldoet aan de volgende drie criteria:

  1. -

    De voorziening is niet alleen voor iemand met een beperking bedoeld.

  2. -

    De voorziening is voor iedereen gewoon te koop bij bedrijven of winkels.

  3. -

    De voorziening is in prijs vergelijkbaar met soortgelijke producten.

Een uitzondering op een algemeen gebruikelijke voorziening is de situatie waarbij een plotselinge ziekte of beperking (bijvoorbeeld door een ongeluk) noopt tot acute vervanging. Er zal altijd een individuele toets plaatsvinden om te kijken of de voorziening voor de belanghebbende algemeen gebruikelijk is.

Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn:

  1. -

    Reguliere natte cel voorzieningen, zoals een gelijkvloerse douche, douchekop met glijstang thermostatische kranen, hendelmengkranen, ventilatiesysteem, wandbeugels (niet inklapbaar of opklapbaar)

  2. -

    Huishoudelijke apparatuur, zoals inductie of keramische kookplaat, wasdroger

  3. -

    Verhoogd/verlaagd toilet

  4. -

    Waterbed

  5. -

    Thermostatische radiatorkranen

  6. -

    Zonwering

  7. -

    Intercom

  8. -

    Hometrainer

  9. -

    Diverse soorten fietsen, Spartamet, fiets of tandem met hulpmotor of trapondersteuning, tandem, brommer, fiets met lage instap

  10. -

    Autoaanpassingen zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging, elektrische garagedeur opener

  11. -

    De kosten van een vervoerspas (zijn vergelijkbaar met een OV-chipkaart)

  12. -

    Kinderopvang

  13. -

    Boodschappendiensten supermarkten

  14. -

    Glazenwasser

  15. -

    Tuinonderhoud

Bijlage 3: Algemene voorzieningen

Algemene voorziening

De Wmo 2015 biedt gemeenten meer mogelijkheden om voor voorzieningen die onder de huidige Wmo individuele voorzieningen vallen, te verwijzen naar gesubsidieerde of commerciële algemene voorziening.

Voorbeelden van algemene voorzieningen:

Peuterspeelzalen

Scholen

Algemeen maatschappelijk werk

Schuldhulpverlening en budgettering

GGD

Welzijnswerk (voor ouderen)

Jongerenwerk

Informatie en advieswerk

Formulierenbrigade

Klussendienst

Was- en strijkservices

Maaltijdvoorziening

Passantenverblijf voor dak- en thuislozen

Sociale alarmering

Cliëntondersteuning (kosteloos)

Collectief vervoer

Bewegen voor ouderen

Deze diensten worden nog aangevuld door de zorgaanbieders.

Bijlage 4: urennormering Hulp bij Huishouden

Om het huis schoon en leefbaar te houden worden onderstaande normtijden per week gehanteerd.

Hierbij is het soort woning niet van belang, omdat het gaat om de ruimtes die dagelijks gebruikt worden.

Taken

normtijden

Licht huishoudelijke werk

(opruimen en stoffen)

60 minuten

Zwaar huishoudelijke werk

(stofzuigen woon-slaapkamer, sanitair)

90 minuten

meerpersoonshuishouden

30 minuten

Bijlage 5: Bouwkundige-of woontechnische voorziening

Voorwaarden

In de beschikking worden voorwaarden gesteld waar de belanghebbende aan dient te voldoen, waardoor het mogelijk is de woonvoorziening te controleren en het proces te bewaken. De voorwaarden moeten middels de beschikking aan de belanghebbende en eventueel aan de woningeigenaar, als die niet de belanghebbende is, worden bekend gemaakt. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  1. a.

    Er mag niet al voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het college.

  2. b.

    Aan door het college aangewezen personen wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woonvoorziening wordt aangebracht. Deze wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woonvoorziening en gelegenheid geboden tot het controleren van de woonvoorziening.

  3. c.

    Direct na de voltooiing van de werkzaamheden doch uiterlijk binnen 12 maanden na het toekennen van de woonvoorziening verklaart de belanghebbende schriftelijk aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen.

  4. d.

    De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de kosten van de woonvoorziening.

  5. e.

    De gereedmelding gaat vergezeld van alle rekeningen en betalingsbewijzen die betrekking hebben op de realisatie van de woonvoorziening.

  6. f.

    Indien na controle blijkt dat de belanghebbende niet voldaan heeft aan de voorwaarden die gesteld zijn aan de toekenning van een persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming, wordt niet of slechts gedeeltelijk overgegaan tot uitbetaling.

Voor compensatie in aanmerking komende kosten

De volgende kosten van bouwkundige- of woon technische voorzieningen komen in aanmerking bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget:

  1. 1.

    de aanneemsom (hierin begrepen de loon-en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening;

  2. 2.

    de risicoverrekening van loon-en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991;

  3. 3.

    het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in de Standaardvoorwaarden en Rechtsverhouding Opdrachtgever-Architect 1997 (SR 1997). Dit zijn de standaardvoorwaarden van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA). Tevens is De Nieuwe Regeling (DNR 2005) van toepassing. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woonvoorziening moet worden ingeschakeld, worden deze kosten compensabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen;

  4. 4.

    de kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

  5. 5.

    de leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

  6. 6.

    de verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting;

  7. 7.

    renteverlies, in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden voordat de bijdrage is uitbetaald, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen;

  8. 8.

    de door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen worden;

  9. 9.

    de kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de woonvoorziening;

  10. 10.

    de kosten van aansluiting op een openbare nutsvoorziening;

  11. 11.

    het onderhoud, de keuring of de reparatie die betrekking heeft op stoelliften, rolstoel- of sta-plateauliften, woonhuisliften, hefplateauliften, balansliften, de mechanische inrichting voor het verstellen van een in hoogte verstelbaar keukenblok, bad of wastafel en elektromechanische openings-en sluitingsmechanisme van deuren.

Het verwijderen van woonvoorzieningen

Het college verwijdert zo weinig mogelijk voorzieningen uit woningen. Aangepaste woningen die vrijkomen zullen zoveel mogelijk opnieuw worden toegewezen aan een andere belanghebbende. De gemeente is daarom niet verantwoordelijk voor het verwijderen van voorzieningen, met uitzondering van de traplift indien deze in bruikleen verstrekt is.

Bijlage 6: Kindvoorzieningen

De Wmo 2015 kent het begrip kindvoorziening niet. Vandaar dat er een aparte bijlage aan deze doelgroep wordt besteed omdat er speciale voorzieningen verstrekt worden die alleen op kinderen zijn gericht. Voorbeelden van kindervoorzieningen zijn:

  1. 7.1

    Aangepaste kleedtafel en/of een aangepaste box voor kinderen. Er wordt een vergoeding verstrekt in de meerkosten ten opzichte van een normale commode of normale box. Deze voorziening betreft een roerende woonvoorziening. De aangepaste kleedtafel en/of aangepaste box kan worden verstrekt vanwege beperkingen van het kind of vanwege beperkingen van de verzorger.

  2. 7.2

    Zitondersteuningselementen. Hiermee worden bedoeld kuipstoeltjes met of zonder onderstellen voor binnen-of buitengebruik. Het zijn voorzieningen die sterk op de individuele beperkingen zijn aangepast. De zitondersteuningselementen zijn geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 14 maanden die veel ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Zitondersteuningselementen voor het gebruik als kinderstoel worden vergoed via de Wlz.

  3. 7.3

    Douche/toiletstoel op wielen. Voor de dagelijkse verzorging van kinderen met beperkingen in de leeftijd van 2 tot 15 jaar zijn douchestoelen en gecombineerde douche/toiletstoelen op wieltjes ontwikkeld.

  4. 7.4

    Fiets- en autozitjes. Er bestaan voor kinderen met beperkingen speciale zitjes voor op de fiets of in de auto. Feitelijk gaat het om een vervoersprobleem van de ouders en niet van het kind, dat immers geen eigen vervoersbehoefte heeft. Toch wordt deze vorm van een vervoersvoorziening door de Wmo 2015 vergoed, mits de noodzaak blijkt uit een medisch advies en indien de ouders genoodzaakt zijn om hun kind met beperkingen mee te nemen bij hun verplaatsingen in het kader van het leven van alledag. Bij de vaststelling van de hoogte van het Pgb wordt rekening gehouden met de normale kosten van een fiets of autozitje (Nibud).

  5. 7.5

    Een fietszitje op een scootmobiel van een ouder met beperkingen wordt niet verstrekt, immers dat betreft een normaal zitje en is daarom algemeen gebruikelijk.

  6. 7.6

    Een aangepaste buggy kan noodzakelijk zijn bij kinderen tot 5 jaar. Een medisch advies is noodzakelijk. Is het kind ouder dan 5 jaar en een buggy is medisch noodzakelijk, dan worden de kosten geheel vergoed (dit gebeurt niet vaak, immers het kind kan meestal in een kinderduwrolstoel). De buggy wordt verstrekt indien:

  7. -

    regelmatig behoefte bestaat aan verplaatsing buiten de woning;

  8. -

    het kind met beperkingen geen of een beperkt loopvermogen heeft;

  9. -

    in de verplaatsingsbehoefte voor de korte afstand niet kan worden voorzien via een algemeen gebruikelijk middel of, indien dit de goedkoopst adequate oplossing is, een aangepast verplaatsingsmiddel voor de korte afstand.

  10. 7.7

    Kinderrolstoelen kunnen worden verstrekt aan een kind met beperkingen op het moment waarop in principe kinderen zonder beperkingen leren lopen. Kinderen leren in het algemeen zeer snel om te gaan met hun rolstoel en de rolstoel kan een belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het kind. Zelf rondrijden in een rolstoel (geduwd of met een hoepel) stimuleert het kind om zelfstandig te worden en zo veel als mogelijk te spelen met kinderen zonder beperkingen. Een elektrische kinderrolstoel is soms noodzakelijk. Een medisch advies is voor elke kinderrolstoel noodzakelijk.

  11. 7.8

    Speelvoertuigen. Er bestaan voor jonge kinderen met beperkingen voorzieningen, die het midden houden tussen therapeutische speelvoorzieningen en mobiliteitshulpmiddelen. Bijvoorbeeld kruipwagens en kruiphulpmiddelen.

Na een positief medisch advies kunnen deze voorzieningen worden verstrekt. Belangrijk bij de vaststelling van de noodzaak is dat er geen voorliggende voorziening beschikbaar is en geen alternatief algemeen gebruikelijk speelvoertuig mogelijk is.

  1. 7.9

    Vervoerskosten kinderen. Er bestaat een relatie tussen leeftijd en vervoersbehoefte. Indien in individuele gevallen het tegendeel niet blijkt, wordt ervan uitgegaan dat:

  2. a.

    er bij kinderen jonger dan 5 jaar geen sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte. De ouders nemen hen mee zoals ook gebruikelijk is met kinderen zonder beperkingen;

  3. b.

    kinderen van 5 tot 12 jaar een geringe zelfstandige vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid, zoals ook gebruikelijk is met kinderen zonder beperkingen;

  4. c.

    kinderen van 12 tot en met 14 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte ontwikkelen en vanaf 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben die overeenkomt met die van volwassenen.

  5. 7.10

    Driewielfiets/vierwielfiets. Deze fietsen worden door kinderen in het algemeen voor een korte periode gebruikt. Voorkeur gaat uit naar verstrekking in natura omdat de voorziening voor hergebruik kan worden ingezet. Een driewiel- of vierwielfiets voor kinderen wordt verstrekt indien:

  6. -

    er sprake is van een zelfstandige vervoersbehoefte;

  7. -

    het kind met beperkingen 5 jaar of ouder is (tot en met 4 jaar is er geen sprake van een zelfstandige vervoersbehoefte);

  8. -

    de beperkingen van het kind het gebruik van een normale fiets gevaarlijk maakt (slecht evenwicht, verstandelijke handicap, gestoorde motoriek etc.).

  9. 7.11

    Aangepaste fietsen in verband met vervoer van een kind met beperkingen.

Deze fietsen kunnen worden verstrekt indien met de fiets wordt voorzien in de dagelijkse verplaatsingsbehoefte en de verplaatsingen niet plaats kunnen vinden met een normale fiets met een aangepast kinderzitje.

7.12Duofiets.

Per individueel geval dient te worden beoordeeld in hoeverre een duofiets kan worden verstrekt ter compensatie van de beperkingen.