HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Beleidsregels terugvordering en verhaal participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2015

Beleidsregels terugvordering en verhaal participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2015

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingBeleidsregels terugvordering en verhaal participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2015
CiteertitelBeleidsregels terugvordering en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpTerugvordering en verhaal

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet
  2. IOAW
  3. IOAZ

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-07-2015 n.v.t. nieuwe regeling 12-05-2015 gemeenteblad 23-06-2015 A.0013078

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1.. Algemene bepalingen

Beleidsregels

Terugvordering en Verhaal

Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2015

Het college van de gemeente Nunspeet;

gelet op de artikelen 54, 58, 59, 60 en 61 van de Participatiewet, de artikelen 17, 25, 26 en 28 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de artikelen 17, 25, 26 en 28 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 4.81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

overwegende dat het college gebruik wil maken van de bevoegdheden om een toekenningsbesluit op te schorten, te herzien of in te trekken, een ten onrechte verleende uitkering terug te vorderen en om verleende bijstand te verhalen;

Besluit:

vast te stellen deBeleidsregels terugvordering en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Nunspeet 2015

Artikel 1.. Begripsbepalingen

  1. 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    1. a.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    2. b.

      college: het college van de gemeente Nunspeet;

    3. c.

      IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    4. d.

      IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    5. e.

      Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    6. f.

      uitkering: bijstand op grond van de Participatiewet, dan wel een inkomensvoorziening op grond van de IOAW, IOAZ of het Bbz.

  2. 2.

    De begripsbepalingen van de Participatiewet, Awb, IOAW en IOAZ zijn op deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen van toepassing.

Hoofdstuk 2.. Opschorting, herziening en intrekking

Artikel 2.. Invulling wettelijke bevoegdheden

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten, herzien of intrekken van het recht op bijstand zoals neergelegd in artikel 54 van de Participatiewet, artikel 17 van de IOAW en artikel 17 van de IOAZ.

Artikel 3.. Herziening of intrekking van het toekenningbesluit

Een besluit tot toekenning van een uitkering wordt herzien of ingetrokken als:

  1. a.

    het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ of artikel 30c, tweede en derde lid, Wet SUWI, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van een uitkering;

  2. b.

    anderszins de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Hoofdstuk 3.. Terugvordering

Artikel 4.. Terugvordering en terugvordering van gezinsleden

Onverminderd de in de wet opgenomen plicht tot terugvordering, maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar op grond van artikel 58 en 59 van de Participatiewet, artikel 25 en 26 van de IOAW en artikel 25 en 26 van de IOAZ toekomt.

Artikel 5.. Invordering bij dwangbevel

Het college maakt ten volle gebruik van de bevoegdheid tot invordering bij dwangbevel zoals deze haar op grond van artikel 60 Participatiewet, artikel 28 IOAW en artikel 28 IOAZ toekomt.

Artikel 6.. Terugvorderingsbesluit

In het terugvorderingsbesluit wordt in ieder geval vermeld:

  1. a.

    tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen uitkering wordt teruggevorderd;

  2. b.

    de reden van de terugvordering;

  3. c.

    het wetsartikel, dat ten grondslag ligt aan de terugvordering;

  4. d.

    de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen uitkering moet terugbetalen;

  5. e.

    op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd;

  6. f.

    de rente en kosten die in rekening worden gebracht bij gebrekkige betaling;

  7. g.

    de mogelijkheid dat indien het netto teveel betaalde bedrag aan uitkering verwijtbaar niet is terugbetaald op 31 december, het restantbedrag alsnog bruto moet worden terugbetaald;

  8. h.

    de bezwaarmogelijkheid.

Artikel 7.. Afzien van het nemen van een besluit tot terugvordering

Het college kan besluiten niet tot terugvordering over te gaan als de hoogte van de terugvordering niet meer bedraagt dan € 50,-.

Hoofdstuk 4.. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Artikel 8.. Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Het college besluit tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde uitkering als:

  1. a.

    redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal voortgaan met het betalen van zijn schulden; en

  2. b.

    redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen, behoudens de in artikel 11, onder b, van deze beleidsregels bedoelde vorderingen, van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen; en

  3. c.

    de vordering van de gemeente wegens teruggevorderde uitkering ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang.

  4. d.

    de terugvordering van de uitkering niet het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende;

Artikel 9.. Inwerkingtreding van het besluit tot kwijtschelding wegens

schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de teruggevorderde uitkering treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen.

Artikel 10.. Intrekking kwijtscheldingsbesluit schuldenproblematiek

Het besluit tot het geheel of gedeeltelijk kwijtschelden van de teruggevorderde uitkering wordt ingetrokken of ten nadele van de belanghebbende gewijzigd als:

  1. a.

    niet binnen twaalf maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen;

  2. b.

    de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

  3. c.

    onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

Hoofdstuk 5.. Kwijtschelding na voldoen van de betalingsverplichting

Artikel 11.. Voorwaarden voor kwijtschelding van niet verwijtbare vorderingen

  1. 1.

    Voor vorderingen die niet het gevolg zijn van een verwijtbare gedraging of schending van de inlichtingenplicht kan het college besluiten tot kwijtschelding van de openstaande vordering, indien de belanghebbende:

    1. a.

      gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en het inkomen de toepasselijke bijstandsnorm niet te boven is gegaan; of

    2. b.

      gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; of

    3. c.

      gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; of

    4. d.

      een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

  2. 2.

    De in artikel 15 genoemde termijn is drie jaar als het gemiddeld inkomen van de belanghebbende in die periode de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet te boven is gegaan.

  3. 3.

    Als er een geldlening op basis van artikel 51, Participatiewet, is verleend en belanghebbende heeft gedurende drie jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen voldaan, kan het college besluiten kwijtschelding te verlenen voor het restant van de geldlening.

Artikel 12.. Voorwaarden voor kwijtschelding van verwijtbare vorderingen

  1. 1.

    Voor vorderingen die het gevolg zijn van verwijtbare gedragingen en voor vorderingen in verband met het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichtingen bedoeld in artikel 17, eerste lid, Participatiewet, artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ, of artikel 30c, tweede en derde lid, Wet SUWI, kan het college besluiten tot kwijtschelding van de openstaande vordering, als de belanghebbende:

    1. a.

      gedurende tien jaar volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

    2. b.

      gedurende tien jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald;

    3. c.

      gedurende tien jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of

    4. d.

      een bedrag van ten minste 50% van de restsom in één keer aflost.

Artikel 13.. Geen kwijtschelding bij krediethypotheek

Kwijtschelding als bedoeld in deze beleidsregels vindt niet plaats, als de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden;

Hoofdstuk 6.. Invordering van teruggevorderde uitkering

Artikel 14.. Wijze van invordering

  1. a.

    De belanghebbende dient het bedrag ineens en terstond binnen zes weken na dagtekening van het besluit te voldoen.

  2. b.

    De belanghebbende kan een verzoek doen om een minnelijke betalingsregeling te treffen, wanneer hij niet kan voldoen aan het onder a. bepaalde.

  3. c.

    Als op enig moment blijkt dat de debiteur beschikt of kan beschikken over een

vermogen waaruit de ten onrechte ontvangen uitkering geheel of gedeeltelijk kan worden voldaan, wordt dat vermogen aangewend om de vordering, zoveel als mogelijk, ineens en terstond af te lossen.

Artikel 15.. Hoogte aflossingsbedrag bij minnelijke betalingsregeling

De belanghebbende moet het bedrag binnen de gestelde termijn voldoen, maar als dit niet mogelijk is kan het college de aflossing als volgt bepalen:

  1. a.

    bij een inkomen op bijstandsniveau het verschil tussen het inkomen en de beslagvrije voet zoals bepaald in de artikelen 475c en 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bij een inkomen op bijstandsniveau;

  2. b.

    bij een inkomen hoger dan bijstandsniveau 50% van de draagkracht met een minimumbedrag zoals vastgesteld onder a.

Artikel 16.. Brutering uitkering

Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om op grond van artikel 58, vijfde lid Participatiewet en artikel 25, vijfde lid, IOAW/IOAZ de uitkering bruto terug te vorderen, in de volgende situaties:

  1. a.

    het ontstaan van de terugvordering is aan belanghebbende te wijten; en

  2. b.

    het is de belanghebbende te verwijten dat de terugvordering niet in hetzelfde boekjaar is voldaan zodat verrekening nog kon plaatsvinden.

Artikel 17.. Aanmaning

  1. 1.

    Als de schuldenaar in verzuim is, verzendt het college een aanmaning waarin de schuldenaar gesommeerd wordt om alsnog binnen twee weken te betalen. Bij niet tijdige betaling zal deze worden afgedwongen door op kosten van de schuldenaar invorderingsmaatregelen te treffen.

  2. 2.

    De gemeente brengt voor een aanmaning een vergoeding in rekening conform artikel 4:113 Awb.

Artikel 18.. Uitvoering invordering bij niet nakomen betalingsverplichting

Als de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van:

a.verrekening met de maandelijks verleende bijstand of uitkering, op grond van artikel

48, vijfde lid, en artikel 60, derde lid, van de participatiewet, artikel 28, tweede lid en derde lid, van de IOAW, artikel 28, tweede en derde lid, van de IOAZ, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid;

b.een executoriaal beslag in de zin van artikel 479g van het Wetboek van Burgerlijke

Rechtsvordering, of;

c.beslag in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke

rechtsvordering, of:

d.een conservatoir beslag in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

Artikel 19.. Inschakeling derden en kosten uitvoering invordering

  1. 1.

    Bij gebreke van tijdige betaling kan de invorderingsprocedure worden uitbesteed aan derden zoals een incassobureau of deurwaarder.

  2. 2.

    De vordering wordt verhoogd met de wettelijke rente en de op de terugvordering betrekking hebbende kosten.

  3. 3.

    Bij de tenuitvoerlegging van een dwangbevel bedragen de buitengerechterlijke invorderingskosten maximaal 15% van de hoofdsom. De gerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van artikel 434a van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering.

Hoofdstuk 7.. Verhaal

Artikel 20.. Verplichting tot instellen alimentatievordering

Het college maakt op grond van artikel 55 van de Participatiewet gebruik van de bevoegdheid om verplichtingen op te leggen in verband met het verkrijgen van alimentatie (voor de belanghebbende zelf en voor diens kinderen), die leiden tot vermindering of beëindiging van de bijstand.

Artikel 21.. Kwijtschelding en invordering verhaal

Voor zover zich daar geen andere wettelijke regeling tegen verzet zijn de hoofdstukken 4, 5 en 6 met betrekking tot de kwijtschelding en invordering van terugvorderingskosten van overeenkomstige toepassing bij verhaalsvorderingen.

Hoofdstuk 8.. Overige bepalingen

Artikel 22. Hardheidsclausule

Het college kan van deze beleidsregels afwijken als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

Artikel 23.. Inwerkingtreding

  1. 1.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 juli 2015, onder intrekking van de Beleidsregels Terugvordering en Verhaal WWB, WIJ, IOAW, IOAZ en WMO gemeente Nunspeet 2010.

  2. 2.

    Deze beleidsregels zijn ook van kracht op vorderingen die zijn ontstaan op grond van uitvoering van de Wet investeren in jongeren, de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand.

Burgemeester en wethouders van Nunspeet,

de secretaris, de burgemeester,

Toelichting Toelichting terugvordering

De laatste beleidsregels terugvordering dateren uit 2010. Sindsdien is er het één en ander veranderd in de sociale wetgeving. De Wet investeren in jongeren (WIJ) is buiten werking getreden, de Wet werk en bijstand (WWB) is eerst gewijzigd en met de drie transities is de WWB daarna vervangen door de Participatiewet. Daarnaast heeft de CRvB meerdere keren uitgesproken dat er dient te worden afgezien van bevoegdheid tot brutering van de terugvordering volgens artikel 58, lid 5 Participatiewet (ophoging van de netto terugvordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen) als sprake is van een terugvordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende en hem niet verweten kan worden dat de betaling van de schuld niet al voldaan is in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft (CRvB 24 juli 2007, LJN; BB0561.

Artikel 7

In principe moet elke euro aan bijstand die onterecht is verstrekt teruggevorderd worden. Het gaat dan niet alleen om fraude maar ook om omstandigheden waarbij belanghebbende niets te verwijten valt, bijvoorbeeld het later ontvangen van een erfenis of inkomen. Zolang iemand in de uitkering zit wordt teveel ontvangen bijstand altijd teruggevorderd. Dit vergt nauwelijks extra inzet omdat dit bijna altijd via verrekening op de lopende uitkering kan. Is de uitkering echter beëindigd en er blijkt achteraf toch teveel bijstand te zijn verstrekt dan kan het college besluiten om uit kosten/batenoverwegingen niet tot terugvordering over te gaan als het terugvorderingsbedrag niet hoger is dan € 50,-. Dit bedrag is ongeveer gelijk als de Belastingdienst hanteert bij de aanslag van de inkomstenbelasting.

Artikel 12

Fraude mag niet lonen, daarom wordt bij fraude de uitkering altijd herzien en terug gevorderd en daarnaast wordt er een boete opgelegd. In deze beleidsregels is echter wel de mogelijkheid opgenomen om fraudeschulden na tien jaar toch kwijt te schelden. Niet dat wij hiermee de fraude willen belonen maar om belanghebbende na zeer lange tijd toch de mogelijkheid te geven een schone lei te beginnen en fraude met uitkeringen verhoudingsgewijs al veel zwaarder bestraft wordt dan andere fraude. Omdat er wettelijk geen kwijtschelding mogelijk is voor boetes zullen belanghebbenden die gefraudeerd hebben met een inkomen rond het minimum er lang over doen om hun fraudeschuld en boete af te lossen. Al die tijd moet men het doen met een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet. Om toch enig perspectief te hebben is daarom deze kwijtschelding geregeld. Hier mag echter niet lichtvaardig mee omgegaan worden. Een belanghebbende moet altijd aan zijn betalingsverplichtingen hebben voldaan, het mag niet lonen als iemand niet meewerkt aan zijn betalingsverplichtingen. Er mag ook niet te snel aannemelijk worden geacht dat iemand nooit geen betalingen zal gaan verrichten. In het terugvorderingsbeleid blijft het daarom van belang dat de gemeente volop gebruik maakt van haar invorderingsmogelijkheden zodat zoveel mogelijk terugvorderingen ook ingevorderd worden.

Toelichting verhaal

De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van artikel 55 van de Participatiewet waarin het een belanghebbende de verplichting op kan leggen zelf een vordering tot alimentatie in te stellen. Deze keuze is bewust gemaakt omdat van een belanghebbende allereerst zelf verwacht mag worden dat deze er alles aan doet om de behoefte aan bijstand te verminderen.