HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Besluit bodemkwaliteit

Besluit bodemkwaliteit

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingBesluit bodemkwaliteit
Citeertitelgeen
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmilieu

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
25-06-2010 n.v.t. nieuwe regeling 24-06-2010 onbekend onbekend

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1. Nieuw Hoofdstuk

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Artikel

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Achtergrondwaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan

chemische stoffenvoor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldt dat er geen sprake is van

belasting door lokale verontreinigingsbronnen;

Accreditatie: bewijs waarmee de Raad voor Accreditatie kenbaar maakt dat gedurende een

bepaalde periode een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon of

instelling competent is voor het uitvoeren van de desbetreffende werkzaamheid;

Baggerspecie: materiaal dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de

voordat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte

van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de

bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen

en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter;

Bodembeheergebied: aaneengesloten, door het bestuursorgaan, bedoeld in artikel 44, 45

of 46, afgebakend deel van de oppervlakte van een of meer gemeenten of het beheergebied van

een of meer waterkwaliteitsbeheerders;

Bodemfuncties: gebruik van de bodem, niet zijnde de bodem onder oppervlaktewater,

zoals dat is vastgesteld door de gemeenteraad, overeenkomstig een bij regeling van Onze

Ministers vastgestelde indeling;

Bodemfunctieklassen: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling van

bodemfuncties in de categorieën, bedoeld in artikel 55, eerste lid;

Bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen

meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch

aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;

Certificaat: verklaring waarmee een door Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en

Waterstaat erkende certificeringsinstelling kenbaar maakt dat gedurende een bepaalde periode

een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat dat de hierin genoemde persoon voldoet aan het voor de

certificering geldende normdocument;

Erkende kwaliteitsverklaring: schriftelijke verklaring die is afgegeven door een instelling

die daartoe beschikt over een erkenning, waarin wordt verklaard dat de bijbehorende partij die

afkomstig is van een persoon of instelling die is erkend voor het produceren op basis van een

nationale Beoordelingsrichtlijn, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met

betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit, mits toegepast op de in de verklaring aangegeven

wijze;

Erkenning: beschikking van Onze Ministers waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of

een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens dit besluit geldende

voorwaarden;

Fabrikant-eigenverklaring: schriftelijke verklaring, afgegeven door de producent van een

bouwstof, grond of baggerspecie, waarin deze verklaart dat de bijbehorende partij voldoet aan de

bij of krachtens dit besluit gestelde eisen met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit. Uit

de verklaring blijkt op welke wijze is vastgesteld dat de partij voldoet aan de bij of krachtens dit

besluit gestelde eisen;

Grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2

millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van

nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind

met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;

IBC-bouwstof: bouwstof die vanwege de mate van emissie alleen met isolatie-, beheers-,

en controlemaatregelen mag worden toegepast;

3

Instelling: certificeringsinstelling, inspectie-instelling, laboratorium of andere instelling

met rechtspersoonlijkheid, die beoordeelt of een persoon, een stof, een product, een installatie,

een voorziening of een ander object overeenstemt met een normdocument;

Interventiewaarden: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde generieke waarden die

aangeven dat bij overschrijding sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele

eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, als bedoeld in artikel 36 van de Wet

bodembescherming;

Isolatie, beheers- en controlemaatregelen: maatregelen waardoor bij toepassing van een

bouwstof nagenoeg geen contact optreedt van die bouwstof met hemelwater en grondwater;

Kwaliteitsklasse: bij regeling van Onze Ministers vastgestelde indeling in categorieën van

de kwaliteit van de bodem, grond of baggerspecie;

Landbouwbedrijf: bedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel i, van de

Meststoffenwet;

Milieuhygiënische verklaring:

a. voor bouwstoffen, grond of baggerspecie: partijkeuring, fabrikant-eigenverklaring of erkende

kwaliteitsverklaring, en

b. voor grond, baggerspecie of de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt

toegepast: verklaring omtrent de milieuhygiënische kwaliteit van een specifieke partij of de

bodem, die is afgegeven op basis van een kaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede

lid of een bij regeling van Onze Ministers aangewezen normdocument of onderzoeksprotocollen;

Normdocument: een voor een werkzaamheid op grond van artikel 25 aangewezen

beoordelingsrichtlijn, protocol of andere richtlijn, code, aanbeveling of norm die of dat eisen

bevat ter bevordering van de kwaliteit van werkzaamheden of de uitvoering daarvan;

Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en

Milieubeheer;

Onze Ministers: Onze Minister, Onze Minister van Verkeer en Waterstaat en Onze

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met dien verstande dat het bepaalde in

artikel 14 van toepassing is;

Parameter: chemische stof of een fysische eigenschap;

Partij: identificeerbare hoeveelheid bouwstof, grond of baggerspecie van vergelijkbare

milieuhygiënische kwaliteit, die is bedoeld om als geheel te worden verhandeld of toegepast;

Partijkeuring: schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt

uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning, en waarin

wordt vermeld of een partij onder het regime van het besluit kan worden toegepast en hoe dit is

vastgesteld;

Persoon: natuurlijk persoon of rechtspersoon;

Raad voor Accreditatie: de Stichting Raad voor Accreditatie te Utrecht;

Toepassen van bouwstoffen: in een werk aanbrengen of houden van bouwstoffen, alsmede

het laten verrichten daarvan. Voor de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels

wordt onder “het toepassen van bouwstoffen in oppervlaktewater” mede verstaan het toepassen

van bouwstoffen op of in de bodem onder oppervlaktewater;

Toepassen van grond of baggerspecie: het aanbrengen, verspreiden of tijdelijk opslaan

van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, het houden van de aangebrachte of tijdelijk

opgeslagen grond of baggerspecie in die toepassing, alsmede het laten verrichten daarvan. Voor

de toepassing van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels wordt onder het toepassen van

grond of baggerspecie in oppervlaktewater mede verstaan het toepassen van grond of

baggerspecie op of in de bodem onder oppervlaktewater;

Vestigingsplaats: adres en woonplaats van een persoon of adres en woonplaats waar een

instelling zetelt;

4

Vormgegeven bouwstof: bouwstof met een volume per kleinste eenheid van ten minste 50

cm3, die onder normale omstandigheden een duurzame vormvastheid heeft;

Waterkwaliteitsbeheerder: bestuursorgaan dat bevoegd is tot vergunningverlening

ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren;

Werk: bouwwerk, weg- of waterbouwkundig werk of anderszins functionele toepassing

van een bouwstof, uitgezonderd het verondiepen of het dempen van oppervlaktewater en het

ophogen van de bodem ten behoeve van woonwijken en industrieterreinen.

Werkzaamheid: een bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Verkeer en

Waterstaat aangewezen handeling als bedoeld in artikel 11.2, tweede lid, van de Wet

milieubeheer, die wordt uitgevoerd met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of

bouwstoffen.

Artikel 2. Artikel

1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 3 en

de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van

de gemeente waarin de bouwstoffen worden toegepast het bevoegd gezag ten opzichte van

degene die een bouwstof toepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater.

2. Indien bouwstoffen worden toegepast op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, binnen een inrichting die behoort tot een categorie van inrichtingen die is

aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op grond van artikel 8.2

van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd is of indien de

vergunningplicht niet was opgeheven, bevoegd zou zijn een vergunning voor de inrichting te

verlenen, is ook in het kader van dit besluit dat andere orgaan het bevoegd gezag, tenzij er sprake

is van een toepassing als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Woningwet.

3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die een

bouwstof toepast in oppervlaktewater.

4. Onze Minister is het bevoegd gezag ten opzichte van degene die de handelingen,

genoemd in artikel 28, eerste lid, aanhef, verricht, met uitzondering van het toepassen van

bouwstoffen.

Artikel 3. Artikel

1. Voor de toepassing van de artikelen 5, eerste en tweede lid, 6, 7, 8, van hoofdstuk 4 en

de daarop berustende bepalingen zijn, behoudens het tweede lid, burgemeester en wethouders van

de gemeente waarin grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, wordt toegepast, het bevoegd gezag.

2. Indien grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, wordt toegepast binnen een inrichting die behoort tot een categorie van

inrichtingen, die is aangewezen krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, en op

grond van artikel 8.2 van die wet een ander orgaan dan burgemeester en wethouders bevoegd

gezag is of zou zijn, is dat andere orgaan het bevoegd gezag.

3. De waterkwaliteitsbeheerder is het bevoegd gezag voor degene die grond of

baggerspecie toepast in oppervlaktewater.

Artikel 4. Artikel

1. Onze Minister treft de noodzakelijke voorzieningen voor een doelmatig toezicht op de

naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, na afstemming met de

bestuursorganen, bedoeld in het tweede tot en met derde lid, voorzover het daar andere

bestuursorganen dan Onze Minister betreft. De voorzieningen hebben betrekking op de

5

strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de

handhavingsbevoegdheden.

2. Ingeval van toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie op of in de bodem,

uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, binnen een of meer bodembeheergebieden,

waarvoor meerdere bestuursorganen bevoegd gezag zijn, wordt door de desbetreffende

bestuursorganen één bevoegd gezag aangewezen dat namens de betrokken bestuursorganen

zorgdraagt voor een gecoördineerd toezicht op de naleving van de bij of krachtens dit besluit

gestelde verplichtingen.

3. Burgemeester en wethouders hebben tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de

bij of krachtens dit besluit gestelde verplichtingen, voorzover zij betrekking hebben op:

a. het toepassen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater;

b. het toepassen van grond of baggerspecie op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35;

c. het verstrekken van een milieuhygiënische verklaring als bedoeld in artikel 28, derde lid;

d. het melden van een toepassing als bedoeld in de artikelen 32 en 42.

4. Onze Minister heeft tot taak zorg te dragen voor de handhaving van de bij of krachtens

dit besluit gestelde verplichtingen, voor zover zij betrekking hebben op:

a. het in opdracht aanbrengen van bouwstoffen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater;

b. het in opdracht verrichten van de handelingen, genoemd in artikel 35, op of in de bodem,

uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater.

5. Aan de artikelen 28, derde lid, 32, eerste en tweede lid, 42, eerste, negende en elfde lid,

en 58, eerste lid, wordt geacht te zijn voldaan, indien door één van de daartoe verplichte personen

aan de desbetreffende verplichting is voldaan.

Artikel 5. Artikel

1. Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie,

voor zover:

a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan

volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing;

b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of

onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en

c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel

1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

2. De verboden, bedoeld in artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren,

gelden niet voor toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie in oppervlaktewater die

voldoen aan het bepaalde in het eerste lid.

3. Een toepassing in de zin van hoofdstuk 3 en 4 van dit besluit waarbij wordt afgeweken

van de bepalingen van dit besluit is vergunningplichtig als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet

milieubeheer. In afwijking van de artikelen twee en drie zijn Onze Minister respectievelijk de

Minister van Verkeer en Waterstaat het bevoegd gezag.

Artikel 6. Artikel

Het stellen van regels als bedoeld in de artikelen 28, eerste lid, onder b, 30, eerste en tweede lid,

en 31, tweede lid, en het toetsen aan de maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid,

45, eerste lid, 46, 55, tweede lid, 57, eerste lid, 60, eerste lid en 63, eerste lid, onderdeel a, onder

i, geschiedt met inachtneming van de voorwaarde dat toepassingen van bouwstoffen, grond of

baggerspecie voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4 van de Kaderrichtlijn

afvalstoffen.

Artikel 7. Artikel

Degene die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast en die weet of redelijkerwijs had kunnen

weten dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater ontstaan of

kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij

of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die zoveel mogelijk

voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden

gevergd.

Artikel 8. Artikel

1. Degene die ingevolge de bij of krachtens dit besluit gestelde regels onderzoek dient te

verrichten op of in een gedeelte van de bodem ten aanzien waarvan hem de nodige bevoegdheid

ontbreekt, kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen als bedoeld in artikel 71 van de Wet

bodembescherming.

2. De aanvrager, bedoeld in het eerste lid, verstrekt bij het verzoek de volgende gegevens:

a. zijn naam en adres;

b. de naam en het adres van de rechthebbenden;

b. de plaats waar het onderzoek zal plaatsvinden;

c. de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek, en

d. de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten.

Hoofdstuk 2. KWALITEIT VAN DE UITVOERING VAN EEN WERKZAAMHEID

Paragraaf 1. ERKENNING VAN PERSONEN EN INSTELLINGEN

Artikel 9. Artikel

1. Onze Ministers kunnen op aanvraag voor een werkzaamheid een erkenning verlenen

aan een persoon of een instelling.

2. De beschikking vermeldt ten minste de naam van de persoon of instelling, de

werkzaamheid, de vestigingsplaats en, indien van toepassing, de naam van de natuurlijk persoon

die werkzaam is voor de erkende persoon of instelling en die een van de bij regeling van Onze

Ministers aangewezen handelingen uitvoert.

3. Een erkenning wordt voor onbepaalde tijd verleend.

4. Onze Ministers stellen lijsten met erkende personen en instellingen beschikbaar via een

door hen aangewezen website. Het besluit tot aanwijzing van de website wordt in de

Staatscourant geplaatst.

5. Een erkenning is niet overdraagbaar.

Artikel 10. Artikel

1. Een aanvraag voor een erkenning wordt door middel van een door Onze Ministers

vastgesteld formulier, ingediend bij Onze Ministers.

2. Bij de aanvraag worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

a. de naam en het adres van de aanvrager;

b. de werkzaamheid waarop de aanvraag betrekking heeft;

c. het certificaat of de accreditatie voor de werkzaamheid;

d. de vestigingsplaats van de persoon of instelling;

e. indien van toepassing, de naam en een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28

van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet ouder is dan zes maanden, van de

natuurlijk persoon als bedoeld in artikel 9, tweede lid.

3. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid

bedoelde gegevens.

Artikel 11. Artikel

1. Onze Ministers beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de

aanvraag. Onze Ministers kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste acht weken.

2. Indien de beschikking niet binnen de in het eerste lid gestelde termijn is

bekendgemaakt, wordt de beschikking geacht te zijn geweigerd.

3. Onze Ministers verlenen de erkenning geheel of gedeeltelijk indien de desbetreffende

persoon of instelling:

a. niet in staat van faillissement of surseance van betaling verkeert; en

b. heeft voldaan aan artikel 10, tweede lid..

4. Bij regeling van Onze Ministers wordt aangegeven of een erkenning voor een

werkzaamheid wordt gebaseerd op een certificaat of een accreditatie.

5. Een erkenning kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd indien de desbetreffende

persoon of instelling of een bestuurder van deze persoon of instelling, in de drie jaren

voorafgaande aan de aanvraag een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of

krachtens dit besluit, bij of krachtens één van de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel

225 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover de overtreding verband houdt met een

werkzaamheid.

Artikel 12. Artikel

1. Op verzoek van de erkende persoon of instelling kan de erkenning worden gewijzigd.

Artikel 9, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2. Het verzoek wordt, door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier,

ingediend bij Onze Ministers. Artikel 10, tweede en derde lid, is van overeenkomstige

toepassing.

3. Onze Ministers beslissen binnen vier weken na de datum van ontvangst van het

verzoek. Onze Ministers kunnen deze termijn verlengen met ten hoogste vier weken. Artikel 11,

tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13. Artikel

1. In afwijking van artikel 10, tweede lid, onderdeel e, verstrekt een aanvrager, wiens land

van oorsprong of herkomst een andere lidstaat van de Europese Unie is dan Nederland, dan wel

een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte een

gelijkwaardige verklaring omtrent het gedrag, die niet ouder is dan zes maanden.

2. Met een certificaat of een accreditatie wordt gelijkgesteld een certificaat of een

accreditatie afgegeven door een daartoe bevoegd verklaarde certificeringsinstelling,

onderscheidenlijk accreditatie-instelling, in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in

een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij de overeenkomst inzake

de Europese Economische Ruimte, welk certificaat of accreditatie is afgegeven op basis van

onderzoekingen of documenten die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig

is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen of normdocumenten wordt gewaarborgd.

3. Met een erkenning wordt gelijkgesteld een erkenning of vergelijkbare beschikking

afgegeven door een bevoegde autoriteit in een andere lidstaat van de Europese Unie dan

Nederland dan wel in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese

Economische Ruimte, op basis van voorwaarden die een beschermingsniveau bieden dat ten

minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de voorwaarden van artikel 10, tweede lid, wordt

gewaarborgd. Artikel 9, vierde lid en artikel 24 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14. Artikel

Voor toepassing van de artikelen in Hoofdstuk 2 wordt onder “Onze Ministers” verstaan: Onze

Minister en Onze Minister van Verkeer en Waterstaat

Paragraaf 2. VERBODEN EN VERPLICHTINGEN

Artikel 15. Artikel

1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren zonder daartoe verleende erkenning.

2. De in artikel 9, tweede lid bedoelde handelingen kunnen slechts worden uitgevoerd

door een natuurlijke persoon die staat vermeld op de erkenning.

3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voorzover de werkzaamheid wordt

uitgevoerd voor het verkrijgen van een certificaat of een accreditatie.

Artikel 16. Artikel

Het is een persoon of instelling verboden een resultaat van een werkzaamheid te gebruiken of aan

een ander ter beschikking te stellen indien hij weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat

dit resultaat, gelet op het doel waarvoor dit wordt gebruikt, geen betrouwbaar beeld verschaft van

de eigenschappen, aard, hoedanigheid of samenstelling van de bodem, grond, baggerspecie of

bouwstof.

Artikel 17. Artikel

1. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een

bij ministeriële regeling aangewezen handeling met betrekking tot bodem, grond, baggerspecie of

bouwstof, waarop deze instelling of persoon een persoonlijk of zakelijk recht heeft.

2. Een bij regeling van Onze Ministers aangewezen instelling of persoon verricht niet een

bij ministeriële regeling aangewezen handeling ten aanzien van een persoon, een stof, een

bouwstof, een product, een installatie, een voorziening of ander object, waarmee deze instelling

of persoon een organisatorische, financiële of juridische binding heeft, tenzij deze binding alleen

voortvloeit uit de overeenkomst tot uitvoering van de werkzaamheid.

3. Het eerste lid geldt niet voor degene die door middel van organisatorische maatregelen,

op aantoonbare, transparante en controleerbare wijze, ervoor zorg heeft gedragen dat de

werkzaamheid uitsluitend wordt verricht door een onderdeel van de organisatie dat of een

persoon die:

a. geen financieel belang heeft bij de uitkomst van de werkzaamheid;

b. onder een andere bestuurlijke verantwoordelijkheid valt dan degene die een persoonlijk of

zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof, en

c. onder de directe aansturing van een andere leidinggevende valt dan degene die een persoonlijk

of zakelijk recht heeft op de bodem, grond, baggerspecie of bouwstof.

4. Indien een normdocument eisen bevat ten aanzien van organisatorische maatregelen als

bedoeld in het derde lid voldoet de persoon of instelling die voor de desbetreffende

werkzaamheid is erkend aan het derde lid, indien hij aan het normdocument voldoet.

Artikel 18. Artikel

1. Het is verboden een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende

normdocument.

2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover het afwijken van het

normdocument bij wettelijk voorschrift is toegestaan.

Artikel 19. Artikel

De houder van een erkenning meldt onverwijld aan een door Onze Ministers aangewezen

instantie zijn door de rechtbank uitgesproken faillissement of surseance van betaling. De melding

geschiedt door middel van een door Onze Ministers vastgesteld formulier.

Artikel 20. Artikel

Een certificeringsinstelling of de Raad voor Accreditatie meldt een schorsing of intrekking van

een certificaat, onderscheidenlijk een accreditatie, voor een werkzaamheid onverwijld aan een

door Onze Ministers aangewezen instantie. De melding geschiedt door middel van een door Onze

Ministers vastgesteld formulier.

Artikel 21. Artikel

1. Een bestuursorgaan neemt een aanvraag om een beschikking, die bij of krachtens

wettelijke voorschriften wordt gegeven, niet in behandeling indien daarbij gegevens zijn gevoegd

die afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor het verkrijgen van deze gegevens in

strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.

2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.1, 8.4 en 8.49

van de Wet milieubeheer, en de artikelen 29, eerste lid, en 39, tweede lid, 39b, 39c, tweede lid,

39d, derde lid, en 40, tweede lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 22. Artikel

1. Het is een ieder verboden om, ter voldoening aan bij of krachtens wettelijke

voorschriften, gegevens te verstrekken aan een bestuursorgaan, indien hij weet of redelijkerwijs

had kunnen vermoeden dat deze gegevens afkomstig zijn van een persoon of instelling die voor

het verkrijgen van deze gegevens in strijd heeft gehandeld met artikel 15, eerste of tweede lid.

2. De wettelijke voorschriften, bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 8.40, eerste lid,

van de Wet milieubeheer, de artikelen 2a tot en met 2d van de Wet verontreiniging

oppervlaktewateren en de artikelen 6 tot en met 12, 27, eerste lid, 39, eerste en vierde lid, 39b,

tweede lid, onderdelen b en c, 70 en 72 van de Wet bodembescherming.

Paragraaf 3. SANCTIES

Artikel 23. Artikel

1. Onze Ministers kunnen een erkenning geheel of gedeeltelijk intrekken:

a. op verzoek van de erkende persoon of instelling;

b. indien bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt, en kennis omtrent de

juiste en volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

c. indien het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is

ingetrokken of niet meer geldig is;

d. indien de erkende persoon of instelling in staat van faillissement verkeert of surseance van

betaling heeft verkregen, of

e. indien de erkende persoon of instelling of de natuurlijk persoon, bedoeld in artikel 9, tweede

lid, een wettelijk voorschrift heeft overtreden dat is gesteld bij of krachtens dit besluit, bij of

krachtens de in artikel 21 of 22 genoemde wetten of artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht,

voor zover de overtreding verband houdt met een werkzaamheid.

2. Onze Ministers kunnen een erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren,

geheel of gedeeltelijk schorsen, indien:

a. het bewijs van certificatie of accreditatie voor de desbetreffende werkzaamheid is geschorst, of

b. sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid, onder e.

3. Indien een besluit tot intrekking of schorsing betrekking heeft op een

certificeringsinstelling blijven de door deze instelling afgegeven certificaten gedurende zes

maanden geldig.

4. Ingeval van aanwijzingen dat er sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste

lid, onderdeel e, kunnen Onze Ministers de desbetreffende persoon of instelling verzoeken binnen

een redelijke termijn een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet

justitiële en strafvorderlijke gegevens over te leggen, die niet ouder is dan twee maanden. Indien

de desbetreffende persoon of instelling niet binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldoet of

kan voldoen, kunnen Onze Ministers de erkenning voor een periode van ten hoogste twee jaren

geheel of gedeeltelijk schorsen.

Artikel 24. Artikel

Onze Ministers verwerken de schorsing en intrekking van de erkenning in de lijsten, bedoeld in

artikel 9, vierde lid.

Artikel 25. Artikel

Onze Ministers kunnen normdocumenten aanwijzen voorzover deze:

a. niet in strijd zijn met een wettelijk voorschrift;

b. zijn vastgesteld door organen waarin alle betrokken partijen zich konden laten

vertegenwoordigen;

c. zowel qua inhoud als qua strekking voldoende duidelijk zijn, en

d. voldoende draagvlak hebben bij de betrokken partijen.

Hoofdstuk 3. BOUWSTOFFEN

Artikel 26. Artikel

1. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het percentage van de

totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium in een materiaal wordt vastgesteld.

2. Onze Ministers stellen regels met betrekking tot de wijze waarop het volume per

kleinste eenheid van een materiaal, alsmede de duurzame vormvastheid daarvan, wordt

vastgesteld.

3. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder bouwstof mede verstaan, een bouwstof

die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten grond of baggerspecie, voor zover deze

grond of baggerspecie daar geen functioneel onderdeel van uitmaakt.

Artikel 27. Artikel

1. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

a. bouwstoffen die binnen een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c. van de

Woningwet worden toegepast;

b. bouwstoffen die vallen onder een douaneregeling en bestemd zijn voor douanevervoer,

plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16 van

verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober

1992, tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302).

2. Het tijdelijk verplaatsen of uit een werk wegnemen van bouwstoffen is toegestaan

zonder inachtneming van de artikelen 28 tot en met 32, indien deze vervolgens, zonder te zijn

bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde condities opnieuw in dat werk worden

aangebracht.

Artikel 28. Artikel

1. Het vervaardigen, invoeren, voor toepassing in Nederland of voor handelsdoeleinden

voor de Nederlandse markt voorhanden hebben, vervoeren, aan een ander ter beschikking stellen

of toepassen van bouwstoffen is verboden, tenzij:

a. de samenstellings- en emissiewaarden van de bouwstof zijn bepaald aan de hand van de

parameters, die in bijlage 1 van dit besluit zijn vermeld en bij regeling van Onze Ministers zijn

aangewezen, overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde methoden door of

onder toezicht van een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning;

b. een bij regeling van Onze Ministers aangewezen persoon of instelling op een bij regeling van

Onze Ministers voorgeschreven wijze heeft vastgesteld dat de waarden, bedoeld onder a, de bij

regeling van Onze Ministers vastgestelde maximale samenstellings- en emissiewaarden niet

overschrijden;

c. uit een milieuhygiënische verklaring, die is afgegeven onder bij regeling van Onze Ministers

vastgestelde voorwaarden, blijkt dat wordt voldaan aan het bepaalde in onderdeel a en b; en

d. een afleveringsbon bij de desbetreffende partij aanwezig is die de bij regeling van Onze

Ministers vastgestelde gegevens bevat.

2. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaaldin welke gevallen een afleveringsbon als

bedoeld in het eerste lid, onder d niet vereist is.

3. Degene die de bouwstoffen toepast bewaart de bijbehorende milieuhygiënische

verklaring en de afleveringsbon gedurende vijf jaar na het tijdstip waarop de bouwstoffen zijn

toegepast en verstrekt die verklaring of afleveringsbon op verzoek van het bevoegd gezag.

4. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het

samenvoegen en splitsen van partijen bouwstof.

5. Het is verboden om bouwstoffen toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid en

7 van dit besluit.

Artikel 29. Artikel

1. In afwijking van artikel 28, eerste lid, onder a en c, worden de samenstellings- en

emissiewaarden van de toe te passen bouwstof niet bepaald en is geen milieuhygiënische

verklaring vereist, indien sprake is van de volgende handelingen:

a. het toepassen van metselmortel of natuursteenproducten, met uitzondering van breuksteen en

steenslag;

b. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van vormgegeven

bouwstoffen van beton, keramiek, natuursteen en bakstenen;

c. het zonder bewerking opnieuw onder dezelfde condities toepassen van bouwstoffen, waarvan

de eigendom niet wordt overgedragen;

d. het opnieuw toepassen van niet teerhoudend asfalt of asfaltbeton in wegverhardingen indien

overeenkomstig de CROW-publicatie, 210 «Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt» wordt

aangetoond dat het materiaal niet teerhoudend is;

e. het toepassen van bouwstoffen door natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van

beroep of bedrijf.

2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing, indien degene die de bouwstof

toepast op grond van kennis of organoleptische waarneming kan aannemen of redelijkerwijs had

moeten aannemen dat niet is voldaan aan artikel 28, eerste lid, onder b.

Artikel 30. Artikel

1. Een bouwstof die de maximale emissiewaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder

b overschrijdt, kan als IBC-bouwstof worden toegepast, indien:

a. de bouwstof voldoet aan de bij regeling van Onze Ministers gesteld maximale emissiewaarden

voor IBC-bouwstoffen;

b. de bouwstof ten minste het bij regeling van Onze Ministers bepaalde volume heeft en

aaneengesloten in een werk wordt toegepast;

c. isolatie-, beheers- en controlemaatregelen worden getroffen, die voldoen aan de daarvoor bij

regeling van Onze Ministers gestelde eisen en die zijn goedgekeurd door een bij regeling van

Onze Ministers aangewezen persoon of instelling.

2. Het is verboden IBC-bouwstoffen in oppervlaktewater toe te passen.

Artikel 31. Artikel

1. Onze Minister kan op aanvraag ontheffing verlenen van de eis, gesteld in artikel 30,

onder c, voor zover anders dan door toepassing van die regel ten minste dezelfde mate van

bescherming van de bodem wordt geboden, als is beoogd met de betrokken eis.

2. Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld omtrent:

a. de beoordeling van de gelijkwaardigheid; en

b. de bij de aanvraag te verstrekken gegevens, waaruit onder meer blijkt dat sprake is van

bescherming als bedoeld in het eerste lid.

3. Een aanvraag wordt, door middel van een door Onze Minister vastgesteld formulier,

ingediend bij Onze Minister.

Artikel 32. Artikel

1. Degene die voornemens is een bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 29, eerste

lid, onder c, meldt dit voornemen ten minste vijf werkdagen voor het toepassen aan Onze

Minister.

2. Degene die voornemens is een IBC-bouwstof toe te passen als bedoeld in artikel 30

meldt dat voornemen tenminste vier weken voor het toepassen aan Onze Minister.

3. Bij een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden ten minste de volgende

gegevens verstrekt:

a. de naam en het adres van de toepasser;

b. de datum waarop de toepassing zal plaatsvinden;

c. de toepassingslocatie ;

d. de beoogde toepassing;

e. het soort en de hoeveelheid toe te passen bouwstof.

Bij een melding als bedoeld in het eerste lid wordt voorts vermeld:

f. het werk, en

g. de plaats van herkomst van de toe te passen bouwstof.

Bij een melding als bedoeld in het tweede lid worden voorts verstrekt:

h. een milieuhygiënische verklaring; en

i. de beschrijving van de isolatie, controle- en beheersmaatregelen, alsmede de vermelding van de

persoon of instelling die deze maatregelen heeft goedgekeurd.

4. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het derde lid

bedoelde gegevens.

5. Indien bij een voorgenomen toepassing van een IBC-bouwstof de milieuhygiënische

verklaring nog niet beschikbaar is op het tijdstip waarop de melding wordt gedaan, wordt deze

uiterlijk vijf werkdagen voor de toepassing van de desbetreffende IBC-bouwstof aan Onze

Minister verstrekt.

6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier

waarvan het model door Onze Ministers wordt vastgesteld. Onze Ministers kunnen nadere regels

stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.

7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch

door aan het bevoegd gezag.

Artikel 33. Artikel

Degene die een bouwstof toepast, draagt er zorg voor dat die bouwstof:

a. niet met de bodem wordt vermengd;

b. kan worden verwijderd; en

c. wordt verwijderd in geval het werk of het deel van het werk waarvan de bouwstof deel

uitmaakt niet meer als functionele toepassing kan worden beschouwd, tenzij het verwijderen leidt

tot een grotere aantasting van de bodem of het oppervlaktewater dan het niet verwijderen.

Hoofdstuk 4. GROND EN BAGGERSPECIE

Afdeling 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 34. Artikel

1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de wijze bepaald waarop wordt vastgesteld of

een materiaal aan te merken is als grond of baggerspecie.

2. Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan,

grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd

materiaal.

3. Op grond van milieuhygiënische overwegingen kunnen onze Ministers voor een

toepassing van grond of baggerspecie een lager gewichtspercentage bodemvreemd materiaal

vaststellen dan genoemd in het derde lid en hierover en over soorten toegestaan bodemvreemd

materiaal nadere regels stellen.

Artikel 35. Artikel

Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:

a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en weg constructies, waaronder mede worden

begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;

b. toepassing van grond of baggerspecie op of in de bodem, met uitzondering van de bodem

onder oppervlaktewater, in ophogingen van industrieterreinen, woningbouwlocaties en

landbouw- en natuurgronden, met het oog op het verbeteren van de bodemgesteldheid;

c. toepassing van grond of baggerspecie voor het afdekken van een locatie die wordt gesaneerd

als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 3 van de Wet bodembescherming, als afdeklaag voor een

stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid respectievelijk derde lid, van de Wet

milieubeheer, of als afdeklaag voor een voormalige stortplaats met het oog op het voorkomen van

nadelige gevolgen voor de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft

als gevolg van contact met het onderliggende materiaal;

d. toepassing van grond of baggerspecie in ophogingen in waterbouwkundige constructies en

voor het verondiepen en dempen van oppervlaktewater met het oog op de

hoogwaterbescherming, de doelstellingen van artikel 4 van de Kaderrichtlijn water, de

bevordering van de natuurwaarden en de vlotte en veilige afwikkeling van de scheepvaart;

e. toepassing van grond of baggerspecie in aanvullingen, waaronder mede wordt verstaan de

herinrichting en stabilisering van voormalige winplaatsen voor delfstoffen, of met het oog op

onderhoud en herstel van de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met d;

f. verspreiding van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen,

met het oog op het herstellen of verbeteren van de aan de watergang grenzende percelen;

g. verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater, met het oog op de duurzame vervulling

van de ecologische en morfologische functies van het sediment, behoudens op of in uiterwaarden,

gorzen, slikken, stranden en platen, met uitzondering van de daarbinnen gelegen aangrenzende

percelen van watergangen met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen;

h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in

onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van

de bodem onder oppervlaktewater, of gedurende maximaal tien jaar in oppervlaktewater;

i. tijdelijke opslag van baggerspecie, bestemd voor één van de toepassingen, bedoeld in onderdeel

a tot en met f, gedurende maximaal drie jaar op percelen gelegen naast de watergang waaruit de

baggerspecie afkomstig is.

Artikel 36. Artikel

1. Het is verboden grond of baggerspecie die gevaarlijke afvalstoffen zijn toe te passen.

2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende handelingen:

a. het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de samenstelling de interventiewaarde

overschrijdt, tenzij artikel 44, tweede lid, of artikel 45, tweede lid van toepassing is;

b. het op of in de bodem brengen van producten die overeenkomstig de krachtens artikel 4 van de

Meststoffenwet gestelde regels als meststof mogen worden verhandeld;

c. handelingen waarop het Besluit uniforme saneringen van toepassing is, tenzij bij of krachtens

dat besluit anders is bepaald.

3. Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is

toegestaan zonder inachtnemening van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens,

zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die

toepassing wordt aangebracht.

Artikel 37. Artikel

1. Het is verboden om grond of baggerspecie toe te passen in strijd met de artikelen 5,

eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.

2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld ten aanzien van de wijze waarop

een overschrijding wordt vastgesteld van waarden, gesteld bij of krachtens de artikelen, genoemd

in het eerste lid.

Artikel 38. Artikel

1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen laat overeenkomstig de

bij regeling van Onze Ministers bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe

beschikt over een erkenning de kwaliteit van de grond of baggerspecie vaststellen, met inbegrip

van de emissiewaarden voor zover vereist op grond van artikel 63.

2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie en het gestelde in het eerste lid blijkt uit een

milieuhygiënische verklaring, die bij de betreffende partij aanwezig is.

3. Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald onder welke voorwaarden de

milieuhygiënische verklaring, bedoeld in het tweede lid, mag worden afgegeven.

4. De toe te passen grond of baggerspecie kan worden ingedeeld in de bij regeling van

Onze Ministers vast te stellen kwaliteitsklassen.

5. Bij regeling van onze Ministers worden regels gesteld met betrekking tot het

samenvoegen en splitsen van partijen grond of baggerspecie.

6. Het eerste tot en met het vijfde lid geldt niet voor:

a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf; en

b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,

indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel

waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie

wordt toegepast.

Artikel 39. Artikel

Op het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de bij regeling van Onze

Ministers vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt, zijn artikel 40 en afdeling 2 van dit

hoofdstuk niet van toepassing.

Artikel 40. Artikel

1. Het vaststellen van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin de grond of

baggerspecie wordt toegepast, geschiedt overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers

bepaalde methoden door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning

krachtens artikel 9, eerste lid.

2. De kwaliteit van de bodem en het gestelde in het eerste lid, blijkt uit een

milieuhygiënische verklaring.

Artikel 41. Artikel

Bij regeling van Onze Ministers wordt bepaald welke van de in bijlage 1 van dit besluit

genoemde parameters voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen

worden gemeten ten behoeve van:

a. de vaststelling van de kwaliteit van grond of baggerspecie, met inbegrip van de

emissiewaarden voor toepassingen voor zover vereist op grond van artikel 63, en

b. de vaststelling van de kwaliteit van de bodem, waarop of waarin grond of baggerspecie wordt

toegepast.

Artikel 42. Artikel

1. Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35,

onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf

werkdagen van tevoren aan Onze Minister.

2. Bij de melding van een toepassing als bedoeld in artikel 35, onder a tot en met e en g,

worden ten minste de volgende gegevens verstrekt:

a. de naam en het adres van degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen;

b. het toetsingskader waarbinnen de toepassing wordt uitgevoerd;

c. de milieuhygiënische verklaring van de toe te passen grond of baggerspecie;

d. de plaats van herkomst van de toe te passen grond of baggerspecie;

e. de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie;

f. de toepassingslocatie;

g. voor zover het een toepassing betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de

bodemkwaliteitsklasse;

h. voor zover het een toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, betreft krachtens afdeling 2, paragraaf 2, de bodemfunctieklasse.

3. Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, is het tweede lid,

onder a, c tot en met f, van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing,

bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing, bedoeld

in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de toepassing vermeld.

4. Indien de voorziene duur van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, langer

is dan zes maanden, wordt de eindbestemming van de grond of baggerspecie binnen die termijn

gemeld.

5. Onze Ministers kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de in het tweede lid

bedoelde gegevens.

6. De melding wordt elektronisch of schriftelijk gedaan door middel van een formulier

waarvan het model bij regeling van Onze Ministers wordt aangewezen. Onze Ministers kunnen

nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop moet worden gemeld.

7. Onze Minister zendt onverwijld de melding met de bijbehorende gegevens elektronisch

door aan het bevoegd gezag.

8. Het eerste lid geldt niet voor:

a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,

indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel

waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie

wordt toegepast;

c. degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een omvang

van minder dan 50 m3 toe te passen.

9. Degene die voornemens is grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 39 in een

omvang van ten minste 50 m3 toe te passen, meldt in afwijking van het tweede en derde lid

eenmalig de gegevens, genoemd in het tweede lid, onder a en f.

10. Het achtste lid, onder c, en het negende lid zijn niet van toepassing op het toepassen

van grond of baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee.

11. De volgende toepassers van grond of baggerspecie bewaren de in het tweede, onder a,

c tot en met f, genoemde gegevens gedurende ten minste vijf jaren:

a. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 39,

uitgezonderd degene, bedoeld in het achtste lid, onder a en b;

b. degene die baggerspecie verspreidt uit een watergang over de aan de watergang grenzende

percelen.

Artikel 43. Artikel

1. Voor het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder g, kan de

waterkwaliteitsbeheerder met betrekking tot de oppervlaktewateren onder zijn beheer

verspreidingsvakken aanwijzen en vaststellen hoeveel baggerspecie er maximaal kan worden

verspreid.

2. Het is verboden om baggerspecie toe te passen buiten een krachtens het vorige lid

aangewezen verspreidingsvak en boven de daarbij aangegeven maximale hoeveelheid.

Afdeling 2. TOETSINGSKADERS VOOR HET TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE

Artikel 44. Artikel

1. De gemeenteraad kan voor het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in

artikel 35, onderdeel a tot en met e en h op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden

vaststellen voor de bodem, waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, alsmede

een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage, bedoeld in artikel 34,

tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

2. De lokale maximale waarden kunnen boven de maximale waarden voor de

bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, worden vastgesteld en het

afwijkende percentage bodemvreemd materiaal kan worden vastgesteld, indien:

a. de kwaliteit van de bodem wordt bepaald door stoffen die verspreid in dat bodembeheergebied

voorkomen als gevolg van diffuse verontreiniging;

b. die waarden en dat percentage overeenkomen met de kwaliteit van de bodem in het

bodembeheergebied; en

c. die waarden niet de waarden overschrijden die worden vastgesteld op grond van de

beoordelingssystematiek die wordt gehanteerd voor het vaststellen van de noodzaak van een

spoedige sanering als bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming.

Artikel 45. Artikel

1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap

kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet

verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor het

toepassen van grond of baggerspecie in oppervlaktewater als bedoeld in artikel 35, onderdeel a, c

tot en met e en h voor een door hem aangewezen bodembeheergebied lokale maximale waarden

vaststellen voor de bodem onder oppervlaktewater, waarop of waarin de grond of baggerspecie

wordt toegepast, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,

bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

2. De lokale maximale waarden kunnen voor het toepassen van baggerspecie boven de

interventiewaarden en voor het toepassen van grond niet boven de maximale waarden voor de

bodemfunctieklasse industrie worden vastgesteld en het afwijkende percentage bodemvreemd

materiaal kan worden vastgesteld, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 44,

tweede lid.

Artikel 46. Artikel

1. Onze Minister van Verkeer en Waterstaat of het algemeen bestuur van het waterschap

kan met betrekking tot oppervlaktewateren, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet

verontreiniging oppervlaktewateren, onderscheidelijk andere oppervlaktewateren voor

toepassingen als bedoeld in artikel 35, onderdeel g, voor een door hem aangewezen

bodembeheergebied, maximale waarden vaststellen voor de kwaliteit van de toe te passen

baggerspecie die afwijken van de waarden, die krachtens artikel 60, eerste lid voor die toepassing

zijn vastgesteld, alsmede een percentage bodemvreemd materiaal dat afwijkt van het percentage,

bedoeld in artikel 34, tweede en derde lid, tot een maximum van 20 gewichtsprocenten.

2. Bij regeling van Onze Ministers kan worden bepaald dat het bestuursorgaan, bedoeld in

het eerste lid, voor daarbij aan te geven parameters geen hogere maximale waarden kan

vaststellen dan de krachtens artikel 60, eerste lid vastgestelde waarden.

3. Voor toepassingen als bedoeld in het eerste lid in de Nederlandse territoriale zee kan

het bestuursorgaan, bedoeld in het eerste lid, geen hogere maximale waarden vaststellen dan de

krachtens artikel 60, eerste lid, vastgestelde waarden.

Artikel 47. Artikel

Een besluit op grond van de artikelen 44, eerste lid en 45, eerste lid, bevat:

a. een of meer kaarten, opgesteld overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde

protocollen, waarop zijn aangegeven de begrenzing van het bodembeheergebied, de kwaliteit van

de bodem en, bij toepassingen op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder

oppervlaktewater, de bodemfuncties;

b. de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, en 45, eerste lid;

c. voor zover van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel

34, derde en vierde lid;

d. een motivering van het besluit aan de hand van de lokale maximale waarden en, voor zover

van toepassing, het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal in relatie tot de kwaliteit van de

bodem, de maatschappelijke noodzaak van die waarden en het gewichtspercentage bodemvreemd

materiaal en een beschrijving van de overeenkomstig de bij regeling van Onze Ministers gestelde

methoden bepaalde gevolgen van de uitvoering van het besluit voor de kwaliteit van de bodem in

het bodembeheergebied.

Artikel 48. Artikel

Een besluit op grond van artikel 46, eerste lid, bevat:

a. een of meerdere kaarten waarop de begrenzing van dat bodembeheergebied is aangegeven;

b.de maximale waarden en het percentage bodemvreemd materiaal, bedoeld in artikel 46, eerste

lid;

c. een motivering van het besluit aan de hand van de maximale waarden en het percentage

bodemvreemd materiaal in relatie tot de gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en

de maatschappelijke noodzaak van die waarden.

Artikel 49. Artikel

Bij de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 wordt toepassing

gegeven aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 50. Artikel

Tegen een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46 kan beroep worden ingesteld bij de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Artikel 51. Artikel

Op een besluit tot wijziging van een besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45 en 46, zijn de

artikelen 47 tot en met 50 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 52. Artikel

1. Bij toepassing in een bodembeheergebied overschrijdt de kwaliteit van de toe te passen

grond of baggerspecie niet de lokale maximale waarden, bedoeld in de artikelen 44 en 45, en de

maximale waarden, bedoeld in artikel 46.

2. Grond of baggerspecie die voldoet aan de lokale maximale waarden, bedoeld in de

artikelen 44, tweede lid, en 45, tweede lid, kan uitsluitend worden toegepast in het

bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.

3. Indien de grond of baggerspecie, bedoeld in het vorige lid, de kwaliteit van de bodem,

waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt toegepast, overschrijdt, kan deze grond of

baggerspecie alleen worden toegepast in het bodembeheergebied waarvan deze afkomstig is.

4. Het eerste tot en met derde lid geldt niet voor:

a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de

uitoefening van beroep of bedrijf;

b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of

baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een

vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt

toegepast.

Artikel 53. Artikel

Het bestuursorgaan, bedoeld in de artikelen 44 tot en met 46, overweegt ten minste eenmaal in de

tien jaar in hoeverre een aldaar bedoeld besluit herziening behoeft.

Artikel 54. Artikel

Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing, indien geen besluit als bedoeld in de artikelen 44, 45

of 46 is genomen.

Artikel 55. Artikel

1. Burgemeester en wethouders leggen uiterlijk een half jaar na inwerkingtreding van dit

besluit op een kaart de bodemfunctieklassen, zijnde industrie of wonen, van het gebied binnen

hun gemeente, waarop of waarin de grond of baggerspecie zal worden toegepast, vast.

2. Bij regeling van Onze Ministers worden voor de bodemfunctieklassen, bedoeld in het

eerste lid, maximale waarden vastgesteld.

3. Bij regeling van Onze Ministers worden de eisen vastgesteld waaraan de kaart, bedoeld

in het eerste lid, moet voldoen.

4. Indien geen kaart is vastgesteld als bedoeld in het eerste lid, kan alleen grond of

baggerspecie worden toegepast, die de achtergrondwaarden niet overschrijdt.

5. Dit artikel is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in

oppervlaktewater.

Artikel 56. Artikel

1. Indien de kwaliteit van de bodem waarop of waarin de grond of baggerspecie wordt

toegepast, voldoet aan de achtergrondwaarden, dan wel voor deze bodem niet de

bodemfunctieklasse wonen of industrie geldt, is uitsluitend het toepassen van grond of

baggerspecie toegestaan, waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarden niet overschrijdt.

2. Het eerste lid geldt niet voor:

a. het toepassen van grond of baggerspecie door natuurlijke personen anders dan in de

uitoefening van beroep of bedrijf;

b. het toepassen van grond of baggerspecie binnen een landbouwbedrijf, indien de grond of

baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel waarop een

vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie wordt

toegepast;

c. het toepassen van baggerspecie, als bedoeld in artikel 35, onder f en i;

d. het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater, als bedoeld in artikel 35, onder g.

Artikel 57. Artikel

1. Bij regeling van Onze Ministers wordt de bodem ingedeeld in bodemkwaliteitsklassen

en worden voor de bodemkwaliteitsklassen maximale waarden vastgesteld.

2. Het bevoegd gezag kan de bodemkwaliteitsklassen, bedoeld in het eerste lid, vastleggen

op een kaart.

Artikel 58. Artikel

1. Indien het bevoegd gezag de bodemkwaliteitsklasse niet heeft vastgelegd op een kaart,

stelt degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen de bodemkwaliteitsklasse vast

op de bij regeling van Onze Ministers bepaalde wijze. Hierbij worden gegevens gebruikt die

afkomstig zijn van een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning.

2. Het eerste lid geldt niet voor:

a. natuurlijke personen anders dan in de uitoefening van beroep of bedrijf;

b. degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen binnen een landbouwbedrijf,

indien de grond of baggerspecie afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel

waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op het perceel waar de grond of baggerspecie

wordt toegepast;

c. degene die voornemens is baggerspecie toe te passen, als bedoeld in artikel 35, onder f, g en i.

3. Het eerste lid is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie als

bedoeld in artikel 35, eerste lid, onder h, met een duur van korter dan 6 maanden.

Artikel 59. Artikel

1. Voor het toepassen van grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder a tot en met

e, op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, overschrijdt de kwaliteit

van de grond of baggerspecie niet:

a. de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse wonen of industrie; en

b. de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen.

2. Voor het op of in de bodem onder oppervlaktewater toepassen van grond of

baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a en c tot en met e, en het op of in de bodem

toepassen van grond en baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder h, overschrijdt de kwaliteit

van de grond of baggerspecie niet de waarden, bedoeld in het eerste lid, onder b.

3. Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, overschrijdt bij toepassing in

oppervlaktewater de kwaliteit van de grond niet de maximale waarden voor de

bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 60. Artikel

1. Bij het toepassen van baggerspecie, bedoeld in artikel 35, onder f, g en i, overschrijdt

de kwaliteit van de baggerspecie de daarvoor bij regeling van Onze Ministers vastgestelde

maximale waarden niet.

2. Voor toepassing van het eerste lid worden erven en gronden die door een weg, voetpad

of andere constructie of door een te smalle grondstrook om de baggerspecie te ontvangen van de

watergang gescheiden zijn, als aan de watergang grenzend perceel aangemerkt.

Artikel 61. Artikel

Onze Ministers overwegen ten minste eenmaal in de tien jaar in hoeverre de waarden, bedoeld in

de artikelen 55, eerste lid, en 57, derde lid, herziening behoeven en stellen de Staten-Generaal in

kennis van hun bevindingen daaromtrent.

Artikel 62. Artikel

Deze paragraaf is niet van toepassing op het toepassen van grond of baggerspecie in de

Nederlandse territoriale zee.

Artikel 63. Artikel

1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en

met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft

niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits

a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:

i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale emissiewaarden, en

ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem onder oppervlaktewater, de

maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede

lid;

iii. bij toepassing in oppervlaktewater, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse

industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en

b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt

aangebracht.

2. De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het

eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling

van Onze Ministers te bepalen gevallen.

3. De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve

meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen

nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.

4. Op het aanbrengen van een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan

het toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.

5. In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel

35, onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter, indien:

a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen en

spoorwegen betreft; en

b. op de desbetreffende grond of baggerspecie in afwijking van het eerste lid, onder b, een

aaneengesloten laag bouwstoffen wordt aangebracht, met uitzondering van de bijbehorende

bermen en taluds.

6. In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit van de grond of

baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan

een fysieke afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het

ballastbed, aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.

Artikel 64. Artikel

1. Bij regeling van Onze Ministers kunnen aan de toepassing van grond of baggerspecie,

bedoeld in artikel 63, eerste en vijfde lid, nadere regels worden gesteld ter bescherming van de

kwaliteit van de omliggende bodem en het grond- of oppervlaktewater.

2. Bij regeling van Onze Ministers kunnen regels worden gesteld met betrekking tot

beheersmaatregelen met het oog op de instandhouding van de toepassing, bedoeld in artikel 63,

eerste en vijfde lid.

Hoofdstuk 5. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 65. Artikel

1. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming wordt ingetrokken,

met dien verstande dat de intrekking voor gedeelten van dat besluit op verschillende tijdstippen

kan geschieden welke tijstippen nader worden bepaald in het besluit tot inwerkingtreding van het

besluit bodemkwaliteit als bedoeld in artikel 83, eerste lid.

2. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming blijft van

toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Tijdelijke

Stimuleringsregeling verwerking baggerspecie.

Artikel 66. Artikel

1. Het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer wordt ingetrokken, met uitzondering van

artikel 21, met dien verstande dat in dat artikel in plaats van Besluit uitvoeringskwaliteit

bodembeheer, wordt gelezen: Besluit bodemkwaliteit.

2. Hoofdstuk 2 van dit besluit is niet van toepassing op:

a. een werkzaamheid die voor inwerkingtreding van het Besluit uitvoeringskwaliteit

bodembeheer is aangevangen;

b. een werkzaamheid die wordt verricht ter uitvoering van een wettelijke taak door of in opdracht

van een bestuursorgaan, of

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten.

Artikel 67. Artikel

Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf 1.2.5, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag

bouwvergunning komt te luiden:

e. Een onderzoeksrapport betreffende de bodemgesteldheid dat is gebaseerd op onderzoek

uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe op grond van het Besluit

bodemkwaliteit is erkend.

B

Paragraaf 3.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag

bouwvergunning komt te luiden:

e. Artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet verplicht gemeenten in hun

bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op

te nemen. Die voorschriften hebben op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet onder

meer betrekking op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de

bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen

onderzoeksrapport. Op hoofdlijnen weergegeven is deze verplichting door de Vereniging van

Nederlandse Gemeenten als volgt uitgewerkt in de artikelen 2.1.5 en 2.4.1 van de

Modelbouwverordening (Mbv). Het onderzoek dient te bestaan uit de resultaten van een

verkennend onderzoek, verricht volgens NEN 5740, bijlage B (uitgave 1999), waarbij voor een

terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport daarnaast nog dient te bestaan uit de

resultaten van een onderzoek volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek

milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993). Uit de systematiek van NEN 5740

volgt dat voorafgaand aan het verkennend onderzoek eerst een vooronderzoek volgens NVN

5725 dient te worden uitgevoerd (ook wel historisch onderzoek genoemd) ten behoeve van de

onderzoekshypothese en een eventuele onderverdeling van het terrein. De aanwezigheid van

asbest in de bodem kan daarbij worden onderzocht door aan het vooronderzoek volgens NEN

5740 een onderzoek volgens NEN 5707 (indien de bodem en grond minder dan 20% puin bevat)

respectievelijk NEN 5897 (indien de bodem en grond 20% of meer puin bevat) te koppelen.

Indien het vooronderzoek uitwijst dat de locatie onverdacht is, kunnen burgemeester en

wethouders besluiten ontheffing te verlenen voor het uitvoeren van het verkennend onderzoek.

Indien de resultaten van het verkennend onderzoek uitwijzen dat sprake is van

bodemverontreiniging en voor de beoordeling van de ernst van de verontreiniging een nader

onderzoek onontkoombaar is, dient nader onderzoek volgens het Protocol Nader Onderzoek deel

1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek (SDU, uitgave 1995) te worden verricht.

De bouwvergunningaanvrager hoeft niet altijd een bodemonderzoeksrapport aan te leveren. Op

grond van artikel 8, derde lid, van de Woningwet is een bodemonderzoeksrapport alleen

voorgeschreven voor bouwwerken voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning

nodig is, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een

bouwwerk voor het bouwen waarvan op grond van artikel 43 van de Woningwet geen

bouwvergunning is vereist of een geval als bedoeld in artikel 44, tweede lid, van die wet, en

waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zijn, mits dat bouwwerk de grond

raakt of sprake is van een verandering van het niet-wederrechtelijke gebruik. Maar ook dan is een

bodemonderzoeksrapport niet altijd vereist: burgemeester en wethouders kunnen hiervan, op

grond van artikel 2.1.5 van de Mbv, namelijk nog ontheffing verlenen.

Wanneer een bodemonderzoeksrapport is vereist, dient dat rapport op grond van paragraaf 1.2.5,

onderdeel e, van deze bijlage te zijn gebaseerd op onderzoek dat is uitgevoerd door een persoon

of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Laatstgenoemd

besluit bevat eisen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden in het bodembeheer.

Personen en instellingen die bij ministeriële regeling aangewezen werkzaamheden, waaronder het

uitvoeren van bodemonderzoek, uitvoeren, dienen daartoe te zijn erkend door de Ministers van

VROM en Verkeer en Waterstaat. Een voorwaarde voor erkenning is het bezit van een certificaat

of een accreditatie. Bovendien dienen deze personen en instellingen bij de uitvoering te voldoen

aan eisen die onder meer zijn neergelegd in beoordelingsrichtlijnen en protocollen.

Voor het geval een bodemonderzoeksrapport dient te worden aangeleverd maar het bouwen pas

kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, bevat artikel 2.1.5 Mbv het

voorschrift dat het bodemonderzoek dient plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de

bouw wordt begonnen. Dit brengt met zich dat het resultaat van een bodemonderzoek niet altijd

kan worden overgelegd bij de aanvraag om bouwvergunning. Daarom behoort dit

onderzoeksrapport tot de bescheiden die op grond van onderdeel 3 van paragraaf 1.5 van deze

bijlage eerst na indiening van de aanvraag om bouwvergunning doch uiterlijk drie weken voor de

aanvang van de desbetreffende bouwwerkzaamheden mogen worden aangeleverd. Voorwaarde

voor latere indiening van het onderzoeksrapport is dat burgemeester en wethouders met die latere

indiening instemmen. Op basis van het bepaalde in artikel 56 van de Woningwet kan het tijdstip

van latere indiening door hen zo nodig in een voorwaarde bij de bouwvergunning worden

vastgelegd.

Artikel 68. Artikel

A

Categorie 28.3, onderdeel c van bijlage I behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit

milieubeheer komt te luiden:

c. inrichtingen voor zover het betreft toepassingen van bouwstoffen, grond of baggerspecie

waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is en waarin wordt gehandeld in

overeenstemming met de bepalingen van dat besluit;

Onderdeel f vervalt onder vernummering van onderdeel g tot f.

B

Categorie 28.4 van bijlage I van het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, onderdeel

a, onder 3°, komt te luiden:

3°. van buiten de inrichting afkomstige verontreinigde grond, waaronder begrepen verontreinigde

baggerspecie, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 10.10 m3 of meer.

Artikel 69. Artikel

Het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

in artikel 1 vervallen de aanduidingen van

nationale beoordelingsrichtlijn

onderhoudsspecie klasse 0

onderhoudsspecie klasse 1

onderhoudsspecie klasse 2

verspreiden en de daarbijbehorende begripsomschrijvingen.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:

b. sprake is van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in het Besluit

bodemkwaliteit;

2. De onderdelen c, d en e vervallen.

3. Onderdeel f komt te luiden:

f. dit geschiedt overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit in een werk waarin avi-bodemas

wordt gebruikt als bouwstof indien deze;

1. niet meer dan 5,5% onverbrand vliegas bevat,

2. niet is vermengd met avi-vliegas, en

3. ten minste zes weken opgeslagen is voor het gebruik in een werk tenzij de avi-bodemas

eerder is gebruikt in een werk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder a, van het

Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, of in een werk als

bedoeld in artikel 1, eerste lid van het Besluit bodemkwaliteit;

4. Het tweede lid komt te luiden:

2. Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid aangegeven

handelingen met gevaarlijke afvalstoffen.

5. Het derde lid komt te luiden:

3. Het eerste lid, onder a, is evenmin van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde

handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het

Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt.

6. Het vierde lid vervalt.

7. Het vijfde lid komt te luiden:

5. Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing met betrekking tot de in dat lid bedoelde

handelingen met afvalstoffen, behorende tot een categorie waarvoor het in artikel 1 van het

Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen gestelde verbod geldt, met uitzondering van:

a. categorie 19, voorzover het betreft granulaat en de categorieën 20, 21 en 24;

b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.

C

Artikel 3 vervalt.

D

Artikel 4a vervalt

Artikel 70. Artikel

Het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3, tweede lid, komt te luiden;

2. Het eerste lid is niet van toepassing op afvalstoffen, voorzover deze worden toegepast als

bouwstof, grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit, behorende tot:

a. categorie 19, voor zover het betreft granulaat, de categorieën 20, 21 en 24;

b. de categorieën 19 en 22, voor zover deze onderdeel uitmaken van grond of baggerspecie.

B

Aan artikel 11e wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Het bevoegd gezag kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, aan een vergunning als

bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor een inrichting voor de opslag in

oppervlaktewater van baggerspecie niet zijnde een gevaarlijke afvalstof als bedoeld in de Wet

milieubeheer het voorschrift verbinden dat de opslag is toegestaan voor een termijn van ten

hoogste tien jaar.

Artikel 71. Artikel

Het Besluit financiële bepalingen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 7 wordt in Hoofdstuk 2 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

1. Het bedrag, bedoeld in artikel 76o, eerste lid, onder a, van de wet, bedraagt € 0,45.

2. Als maximum, bedoeld in artikel 76o, tweede lid, van de wet, geldt een bedrag van

€ 226 890,11.

3. Het eerste en tweede lid werken terug tot en met 1 januari 2006.

Artikel 72. Artikel

Het Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 5, onderdeel l, wordt vervangen door:

l. bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien zijn van een

overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende

kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat zij voldoen aan

de voorwaarden, bedoeld in artikel 28, eerste lid, of artikel 30, eerste lid, van dat besluit en die

worden toegepast in een voorziening, die op grond van de voor de inrichting verleende

vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, binnen de inrichting is

aangebracht;

m. grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, die voorzien is van een

overeenkomstig bij of krachtens dat besluit gestelde regels afgegeven erkende

kwaliteitsverklaring, partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring waaruit blijkt dat de kwaliteit van

de grond de maximale waarde voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55,

tweede lid, van dat besluit, niet overschrijdt en die wordt toegepast in een voorziening, die op

grond van de voor de inrichting verleende vergunning, bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, van de

Wet milieubeheer, binnen de inrichting is aangebracht.

Artikel 73. Artikel

Het Besluit overige niet-meldingsplichtige gevallen bodemsanering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 vervalt.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

In het eerste lid komt onderdeel b te luiden:

b. Indien het bevoegde gezag naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 42 van het

Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van

verontreiniging.

Artikel 74. Artikel

Onderdeel c van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als

volgt gewijzigd:

A

In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:

1°. baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, en

B

Onderdeel D van de Bijlage behorende bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994 wordt als

volgt gewijzigd:

In Kolom 2 van activiteit 18.3 komt onderdeel 1°. te luiden:

1°. Het storten of opslaan van baggerspecie van klasse B als bedoeld in het Besluit

bodemkwaliteit in een hoeveelheid van 250.000 m3 of meer,

Artikel 75. Artikel

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft van toepassing

op het houden van bouwstoffen, waaronder grond en baggerspecie in een werk, indien de

bouwstoffen voor dat tijdstip in het betreffende werk waren toegepast.

Artikel 76. Artikel

De Vrijstellingsregeling grondverzet blijft van toepassing indien voor het tijdstip van

inwerkingtreding van dit besluit voor het gebied waarop of waarin de grond wordt gebruikt een

bodemkwaliteitskaart is vastgesteld krachtens die regeling, voor de duur waarvoor de

bodemkwaliteitskaart geldt met een maximum van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding

van dit besluit.

Artikel 77. Artikel

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor

partijkeuringen, erkende kwaliteitsverklaringen en andere bewijsmiddelen, die krachtens het

Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming, zoals dat gold op het tijdstip van

inwerkingtreding, zijn afgegeven, van toepassing voor de duur van de desbetreffende verklaring,

maar ten hoogste voor drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 78. Artikel

Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft voor maximaal

drie jaar na dat tijdstip van toepassing, indien voor dat tijdstip een melding krachtens artikel 11,

eerste lid, 18, tweede lid,of 21, tweede lid, van het Bouwstoffenbesluit bodem- en

oppervlaktewaterenbescherming is gedaan en binnen een half jaar na dat tijdstip is begonnen met

de toepassing.

Artikel 79. Artikel

1. Het recht zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 65 blijft

geldig, indien voor dat tijdstip, dan wel uiterlijk een half jaar na dat tijdstip een vergunning is

verleend krachtens artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer of artikel 1, eerste of derde lid,

van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, voor de duur van de vergunning maar ten

hoogste voor drie jaar na dat tijdstip.

2. Voorzover een vergunning op grond van artikel 1, eerste of derde lid, van de Wet

verontreiniging oppervlaktewateren betrekking heeft op een handeling als bedoeld in artikel 35,

onder g, vervalt het desbetreffende deel van de vergunning.

3. In afwijking van het tweede lid vervallen de voorschriften van een vergunning waarbij

verspreidingsvakken worden aangewezen een half jaar na de datum van inwerkingtreding van dit

besluit.

Artikel 80. Artikel

Op het toepassen van tarragrond blijft de Vrijstellingsregeling plantenresten en tarragrond

gedurende twee jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit van toepassing.

Artikel 81. Artikel

Indien het bij koninklijke boodschap van 21 mei 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging

van de Wet verontreiniging zeewater en enige andere wetten, kamerstukken II, 2006/07, 31 049,

nr. 1 nadat het tot wet is verheven, in werking treedt, treedt dit besluit voor het toepassen van

grond en baggerspecie in de Nederlandse territoriale zee, op hetzelfde tijdstip in werking.

Artikel 82. Artikel

Onze Minister zendt in overeenstemming met de Ministers van Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit en van Verkeer en Waterstaat binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit

besluit aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit

in de praktijk.

Artikel 83. Artikel

1. Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor

de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of het toepassen of toepassingen, als bedoeld in

artikel 35, verschillend kan worden vastgesteld.

2. Artikel 36 van de Wet bodembescherming treedt in werking op het tijdstip waarop

artikel 1 in werking treedt.

Artikel 84. Artikel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit bodemkwaliteit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad

zal worden geplaatst.

Bijlage 1

Parameterlijst voor bouwstoffen, grond en baggerspecie

1. Metalen CAS-nummers

Antimoon (Sb) 7440-36-0

Arseen (As) 7440-38-2

Barium (Ba) 7440-39-3

Beryllium (Be) 7440-41-7

Cadmium (Cd) 7440-43-9

Chroom (Cr) 7440-47-3

Kobalt (Co) 7440-48-2

Koper (Cu) 7440-50-8

Kwik (Hg) 7439-97-6

Lood (Pb) 7439-92-1

Molybdeen (Mo) 7439-98-7

Nikkel (Ni) 7440-02-0

Seleen (Se) 7782-49-2

Tellurium (Te) 13494-80-9

Thallium (Tl) 7440-28-0

Tin (Sn) 7440-31-5

Vanadium (V) 7440-62-2

Zilver (Ag) 7440-22-4

Zink (Zn) 7440-66-5

2. Overige anorganische stoffen

Bromide n.v.t

Chloride n.v.t

Cyanide (vrij) n.v.t

Cyanide-complex (ph < 5) n.v.t

Cyanide-complex (ph ≥ 5) n.v.t

Fluoride n.v.t

Thiocyanaten (som) n.v.t

Sulfaat n.v.t

3. Aromatische stoffen

Benzeen 71-43-2

Ethylbenzeen 100-41-4

Tolueen 108-88-3

Ortho-xyleen 95-47-6

Meta-xyleen 108-38-3

Para-xyleen 106-42-3

Styreen 100-42-5

Fenol 108-95-2

Catechol 120-80-9

Resorcinol 108-46-3

Hydrochinon 123-31-9

Ortho-Cresol 95-48-7

Meta-cresol 108-39-4

Para-Cresol 106-44-5

Dodecylbenzeen 123-01-3

1,2,3-trimethylbenzeen 526-73-8

1,2,4-trimethylbenzeen 95-63-6

1,3,5-trimethylbenzeen 108-67-8

2-ethyltolueen 611-14-3

3-ethyltolueen 620-14-4

4-ethyltolueen 622-96-8

Isopropylbenzeen 98-82-8

Propylbenzeen 103-65-1

4. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)

Naftaleen 91-20-3

Fenantreen 85-01-8

Antraceen 120-12-7

Fluorantheen 206-44-0

Chryseen 218-01-9

Benzo(a)antraceen 56-55-3

Benzo(a)pyreen 50-32-8

Benzo(k)fluorantheen 207-08-9

Indeno(1,2,3cd)pyreen 193-39-5

Benzo(ghi)peryleen 191-24-2

Pyrene 129-00-0

Acenaphthene 83-32-9

Benzo(b)fluoranthene 205-99-2

Benzo(j)fluoranthene 205-82-3

Dibenz(a,h)anthracene 53-70-3

9H-Fluorene 86-73-7

Acenaphthylene 208-96-8

5. Gechloreerde koolwaterstoffen

A. (vluchtige) chloorkoolwaterstoffen

Monochlooretheen 75-01-4

Dichloormethaan 75-09-2

1,1-dichloorethaan 75-34-3

1,2-dichloorethaan 107-06-2

1,1-dichlooretheen 75-35-4

Cis-1,2-dichlooretheen 156-59-2

Trans-1,2-dichlooretheen 156-60-5

1,1-dichloorpropaan 78-99-9

1,2-dichloorpropaan 78-87-5

1,3-dichloorpropaan 142-28-9

Trichloormethaan 67-66-3

1,1,1-trichloorethaan 71-55-6

1,1,2-trichloorethaan 79-00-5

Trichlooretheen 79-01-6

Tetrachloormethaan 56-23-5

Tetrachlooretheen 127-18-4

B. Chloorbenzenen

Monochloorbenzeen 108-90-7

1,2-dichloorbenzeen 95-50-1

1,3-dichloorbenzeen 541-73-1

1,4-dichloorbenzeen 106-46-7

1,2,3-trichloorbenzeen 87-61-6

1,2,4-trichloorbenzeen 120-82-1

1,3,5-trichloorbenzeen 108-70-3

1,2,3,4-tetrachloorbenzeen 634-66-2

1,2,3,5-tetrachloorbenzeen 634-90-2

1,2,4,5-tetrachloorbenzeen 95-94-3

Pentachloorbenzeen 608-93-5

Hexachloorbenzeen 118-74-1

C. Chloorfenolen

2-chloorfenol 95-57-8

3-chloorfenol 108-43-0

4-chloorfenol 106-48-9

2,3-dichloorfenol 576-24-9

2,4-dichloorfenol 120-83-2

2,5-dichloorfenol 583-78-8

2,6-dichloorfenol 87-65-0

3,4-dichloorfenol 95-77-2

3,5-dichloorfenol 591-35-5

2,3,4-trichloorfenol 15950-66-0

2,3,5-trichloorfenol 933-78-8

2,3,6-trichloorfenol 933-75-5

2,4,5-trichloorfenol 95-95-4

2,4,6-trichloorfenol 88-06-2

3,4,5-trichloorfenol 609-19-8

2,3,4,5-tetrachloorfenol 4901-51-3

2,3,4,6-tetrachloorfenol 58-90-2

2,3,5,6-tetrachloorfenol 935-95-5

Pentachloorfenol 87-86-5

D. Polychloorbifenylen

(PCB's)

PCB 28 7012-37-5

PCB 52 35693-99-3

PCB 101 37680-73-2

PCB 118 31508-00-6

PCB 138 35065-28-2

PCB 153 35065-27-1

PCB 180 35065-29-3

E. Overige gechloreerde koolwaterstoffen

2-chlooraniline 95-51-2

3-chlooraniline 108-42-9

4-chlooraniline 106-47-8

2,3-dichlooraniline 608-27-5

2,4-dichlooraniline 554-00-7

2,5-dichlooraniline 95-82-9

2,6-dichlooraniline 608-31-1

3,4-dichlooraniline 95-76-1

3,5-dichlooraniline 626-43-7

2,3,4-trichlooraniline 634-67-3

2,3,5-trichlooraniline 18487-39-3

2,4,5-trichlooraniline 636-30-6

2,4,6-trichlooraniline 634-93-5

3,4,5-trichlooraniline 634-91-3

2,3,4,5-tetrachlooraniline 634-83-3

2,3,5,6-tetrachlooraniline 3481-20-7

Pentachlooraniline 527-20-8

EOX n.v.t.

2,3,7,8-TCDD 1746-01-6

1,2,3,7,8-PeCDD 40321-76-4

1,2,3,6,7,8-HxCDD 57653-85-7

1,2,3,7,8,9-HxCDD 19408-74-3

1,2,3,4,7,8-HxCDD 39227-28-6

1,2,3,4,6,7,8-HpCDD 35822-46-9

1,2,3,4,6,7,8,9-OCDD 3268-87-9

2,3,7,8-TCDF 51207-31-9

1,2,3,7,8-PeCDF 57117-41-6

2,3,4,7,8-PeCDF 57117-31-4

1,2,3,6,7,8-HxCDF 57117-44-9

1,2,3,7,8,9-HxCDF 72918-21-9

1,2,3,4,7,8-HxCDF 70648-26-9

2,3,4,6,7,8-HxCDF 60851-34-5

1,2,3,4,6,7,8-HpCDF 67562-39-4

1,2,3,4,7,8,9-HpCDF 55673-89-7

1,2,3,4,6,7,8,9-OCDF 39001-02-0

α-Chloornaftaleen 90-13-1

β-Chloornaftaleen 91-58-7

C10-13-chlooralkanen 85535-84-8

6. Bestrijdingsmiddelen

A. Organochloorbestrijdingsmiddelen

Aldrin 390-00-2

Dieldrin 60-57-1

Endrin 72-20-8

Isodrin 465-73-6

Telodrin 297-78-9

Cis-chloordaan 5103-71-9

Trans-chloordaan 5103-74-2

2,4-DDT 789-02-6

4,4-DDT 50-29-3

2,4-DDE 3424-82-6

4,4-DDE 72-55-9

2,4-DDD 53-19-0

4,4-DDD 72-54-8

α-Endosulfan 959-98-8

Endosulfansulfaat 1031-07-8

Endosulfan 115-29-7

α-HCH 319-84-6

β-HCH 319-85-7

γ-HCH 58-89-9

δ-HCH 319-86-8

ε-HCH 6108-10-7

Heptachloor 76-44-8

Cis-Heptachloorepoxide 280044-83-9

Trans-Heptachloorepoxide 1024-5703

Hexachloorbutadieen 87-68-3

B. Organofosforpesticiden

Azinfos-methyl 86-50-0

C. Organotin bestrijdingsmiddelen

Tributyltin 688-73-3

Trifenyltin 892-20-6

Tributyltin-kation 36643-28-4

D. Chloorfenoxy-azijnzuur herbiciden

MCPA 94-74-6

E. Overige

bestrijdingsmiddelen

Atrazine 1912-24-9

Carbaryl 63-25-2

Carbofuran 1563-66-2

Maneb 1247-38-2

4-chloor-3-methylfenol 59-50-7

4-chloor-2-methylfenol 1570-64-5

Propazine 139-40-2

Simazine 122-34-9

Terbutryn 886-50-0

Bromofos-ethyl 4824-78-6

Bromofos-methyl 2104-96-3

Chloorpyrifos-ethyl 2921-88-2

Dichloorvos 62-73-7

Disulfoton 298-04-4

Fenthion 55-38-9

Malathion 121-75-5

Parathion-ethyl 56-38-2

Parathion-methyl 298-00-0

Alachloor 15972-60-8

Chloorfenvinfos 470-90-6

Diuron 330-54-1

Isoproturon 34123-59-6

Trifluraline 1582-09-8

7. Overige parameters

Acrylonitril 107-13-1

Asbest n.v.t.

Butanol 71-36-3

Butylacetaat 123-86-4

Cyclohexanon 108-94-1

Diethyleenglycol 111-46-6

Ethylacetaat 141-78-6

Ethyleenglycol 107-21-1

Formaldehyde 50-00-0

Dimethylftalaat 131-11-3

Diethylftalaat 84-66-2

Di-isobutylftalaat 84-69-5

Dibutylftalaat 84-74-2

Butylbenzylftalaat 85-68-7

Dihexylftalaat 84-75-3

Di(2-ethylhexyl)ftalaat 117-81-7

Di-n-octylftalaat 117-84-0

Isopropanol 67-63-0

Methanol 67-56-1

Methylethylketon 78-93-3

MTBE 1634-04-4

Minerale olie n.v.t.

Vertakte en onvertakte alkanen

bestaande uit minimaal 5 en

maximaal 40 koolstofatomen(1)

n.v.t.

Nutriënten n.v.t.

pH n.v.t.

Pyridine 110-86-1

Reducerend vermogen n.v.t.

Tetrahydrofuran 109-99-9

Tetrahydrothiofeen 110-01-0

Tribroommethaan 75-25-2

Zwevende stof n.v.t.

Nonylfenolen 25154-52-3

4-para-nonylfenol 104-40-5

Octylfenolen 1806-26-4

Para-tert-octylfenol 140-66-9

(1) (1) De vertakte en onvertakte alkanen kunnen zowel als individuele stof als in verschillende

deelverzamelingen in somparameters worden genormeerd.