HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Nunspeet

Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Nunspeet

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingReglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Nunspeet
CiteertitelReglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad van Nunspeet
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-10-2006 n.v.t. Nieuwe regeling 28-09-2006 Huis aan Huis 18-10-2006 Onbekend

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Nunspeet;gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;besluit vast te stellen de volgende regeling:Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeente-raadvan Nunspeet

Hoofdstuk 1. Nieuw Hoofdstuk

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:a. voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;b. amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing, naar devorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;c. subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschiktom direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;d. motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens ofverzoek wordt uitgesproken;e. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;f. initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel voortkomend uit deraad.

Artikel 2. De voorzitter

De voorzitter is belast met:a. het leiden van de vergadering;b. het handhaven van de orde;c. het doen naleven van het reglement van orde;d. hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.

Artikel 3. De griffier

  1. 1

    De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.

  2. 2

    Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoeaangewezen plaatsvervangend griffier.

  3. 3

    De griffier kan, wanneer daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen alsbedoeld in dit reglement deelnemen.

Artikel 4. De secretaris

De raad kan het college verzoeken de secretaris in de vergadering aanwezig te laten zijn en deelte laten nemen aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement.

Artikel 5. Het seniorenconvent

  1. 1

    De raad heeft een seniorenconvent.

  2. 2

    Het seniorenconvent bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters. De griffier is in elke ver-gadering van het seniorenconvent aanwezig.

  3. 3

    De voorzitter kan voorstellen de secretaris uit te nodigen voor het seniorenconvent.

  4. 4

    Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan dat hem bij zijn afwezigheid in het senioren-convent vervangt.

  5. 5

    Elke fractievoorzitter heeft één stem in het seniorenconvent.

Artikel 6. De agendacommissie

  1. 1

    Er is een agendacommissie.

  2. 2

    De agendacommissie bestaat uit de leden van de commissie Algemeen Bestuur, als bedoeldin artikel 2, eerste lid onder a van de Verordening op de raadscommissies gemeenteNunspeet 2006. De voorzitter van de raad kan de vergaderingen van de agendacommissiebijwonen. De griffier of zijn vervanger is in elke vergadering van de agendacommissie aanwezig.

  3. 3

    De voorzitter van de commissie Algemeen Bestuur is voorzitter van de agendacommissie.

  4. 4

    De agendacommissie heeft tot taak het voorlopig vaststellen van de agenda’s van de gemeen-teraadsvergaderingen,met inbegrip van het aanwijzen van de zogenaamde hamerstukken,het doen van voorstellen aan de gemeenteraad over de procedurele afhandelingvan de ingekomen stukken en aanbevelingen te doen aan de raad inzake de organisatievan de werkzaamheden van de raad en van zijn commissies.

  5. 5

    De voorzitter van de agendacommissie kan voorstellen de gemeentesecretaris uit te nodigenvoor een vergadering van de agendacommissie.

  6. 6

    De leden van de agendacommissie hebben elk één stem in de agendacommissie.

Hoofdstuk 2. Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties

Artikel 7. Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethouders

  1. 1

    Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaandeuit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekkinghebbende stukken van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het (centraal) stembu-reau.

  2. 2

    De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad endoet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van eenminderheidsstandpunt.

  3. 3

    Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerstevergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet,de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  4. 4

    In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lidvan de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist omde voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  5. 5

    Bij de benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie inge-steldwelke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Gemeentewet. Dewerkwijze van deze commissie is overeenkomstig het tweede lid.

Artikel 8. Fractie

  1. 1

    De leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozenzijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder eenlijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  2. 2

    Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad dezeaanduiding als naam. Wanneer geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deeltde fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractiein de raad wil voeren.

  3. 3

    De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger optredenworden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.a. Als:– één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden;– twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;– één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie;wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.b. Met de onder a beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang vande eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan.

Hoofdstuk 3. Vergaderingen

Paragraaf 1. Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 9. Vergaderfrequentie
  1. 1

    De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op de laatste donderdag van demaand, vangen aan om 19.30 uur en worden gehouden in het gemeentehuis te Nunspeet.

  2. 2

    De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg met de agendacommissie of het seniorenconvent.

Artikel 10. Oproep
  1. 1

    De voorzitter zendt ten minste acht dagen voor een vergadering de leden van de raad eenschriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

  2. 2

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25,eerste en tweede lid van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met deschriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.

Artikel 11. Agenda
  1. 1

    In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep totuiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Dezewordt met de daarbijbehorende stukken aan de leden van de raad verzonden en openbaargemaakt.

  2. 2

    Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van deraad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agendatoevoegen of van de agenda afvoeren.

  3. 3

    Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereidacht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingenof advies vragen.

  4. 4

    Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 12. De wethouder

De agendacommissie of het seniorenconvent kan een of meer wethouders uitnodigen, al dan nietop zijn/hun verzoek, om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslagingen deel tenemen.

Artikel 13. Ter inzage leggen van stukken
  1. 1

    Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, wordengelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuister inzage gelegd. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage wordengelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in eenopenbare kennisgeving.

  2. 2

    Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht.

  3. 3

    Als omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid van de Gemeentewet ge-heimhoudingis opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder berustingvan de griffier en verleent de griffier de leden van de raad inzage.

Artikel 14. Openbare kennisgeving
  1. 1

    De vergadering wordt door aankondiging in een plaatselijk huis-aan-huisbladen of op de voorafkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en door plaatsing op de gemeentelijke websitewww.nunspeet.nl openbaar gemaakt.

  2. 2

    De openbare kennisgeving vermeldt:a. de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;b. de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering behorende stukken kaninzien;

  3. 3

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden, wanneer digitaal beschikbaar,op de website van de gemeente geplaatst.

Paragraaf 2. Orde der vergadering

Artikel 15. Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de presentielijst. Aan het eindevan elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastge-steld.

Artikel 16. Zitplaatsen
  1. 1

    De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitterna overleg met de agendacommissie bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van deraad aangewezen.

  2. 2

    Als daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg met de agendacommissieof het seniorenconvent.

  3. 3

    De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, secretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.

Artikel 17. Opening vergadering; quorum
  1. 1

    De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, als het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

  2. 2

    Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is,bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgen-de vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.

Artikel 18. Ambtsgebed
  1. 1

    Direct na opening van de vergadering spreekt de voorzitter het openingsgebed uit. Aan heteinde van de vergadering wordt het dankgebed uitgesproken, waarna de voorzitter de openbarevergadering sluit.

  2. 2

    De voorzitter nodigt de leden van de raad uit het openings- en dankgebed staande aan te horen.

  3. 3

    De formulering van het openings- en dankgebed wordt vastgesteld door het seniorenconvent.

Artikel 19. Primus bij hoofdelijke stemming

De volgorde van stemmen wordt op het moment van stemming door de voorzitter bepaald.

Artikel 20. Verslag en besluitenlijst
  1. 1

    De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een presentielijst, een verslag en de besluitenlijstvan de vergadering.

  2. 2

    Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo mogelijk, aan de leden van deraad toegezonden gelijktijdig met de schriftelijke oproep. De besluitenlijst wordt binnen zevendagen na de raadsvergadering toegezonden aan de raadsleden.

  3. 3

    De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de secretaris hebben het recht een voorstel tot verandering aan de raad te doen, als het conceptverslag onjuistheden bevat of niet duidelijk weergeeft hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot verandering moet voor deaanvang van de vergadering bij de griffier worden ingediend.

  4. 4

    Het verslag bevat ten minste:a. de namen van de voorzitter, de griffier, de secretaris, de wethouders en de ter vergaderingaanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige personen die hetwoord gevoerd hebben;b. een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;c. een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van de namen van de aanwe-zigendie het woord voerden;d. een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemmingvan de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namenvan de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthoudenof zich bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;e. de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties,amendementen en subamendementen;f. bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wiehet op grond van het bepaalde in artikel 26 door de raad is toegestaan deel te nemen aande beraadslagingen.

  5. 5

    Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld, waarna dit door de voorzitteren de griffier wordt ondertekend.

Artikel 21. Ingekomen stukken
  1. 1

    Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan deraad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden enter inzage gelegd.

  2. 2

    De raad stelt op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomenstukken vast.

Artikel 22. Aantal spreektermijnen
  1. 1

    De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen,tenzij de raad anders beslist.

  2. 2

    Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

  3. 3

    Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerpof voorstel.

  4. 4

    Het derde lid is niet van toepassing op:a. de rapporteur van een commissie;b. het lid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, watbetreft dat amendement, die motie of dat voorstel.

  5. 5

    Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeftgevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

Artikel 23. Spreektijd

Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden en de overige aanwe-zigen.

Artikel 24. Handhaving orde; schorsing
  1. 1

    Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzija. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interruptieszijn betoog zal afronden.

  2. 2

    Als een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het inbehandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Als de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering,waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  3. 3

    De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalentijd schorsen en - als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

Artikel 25. Beraadslaging
  1. 1

    De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad beslissen over één of meeronderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

  2. 2

    Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten deberaadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de ledende gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadatde schorsingsperiode verstreken is.

Artikel 26. Deelname aan de beraadslaging door anderen
  1. 1

    De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, dewethouder, de secretaris, de griffier en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.

  2. 2

    Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad genomenalvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Artikel 27. Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid hetrecht zijn stemgedrag te motiveren.

Artikel 28. Beslissing
  1. 1

    Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hijde beraadslaging, tenzij de raad anders beslist.

  2. 2

    Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over eventuele amendementen,de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemmingwordt gevraagd.

  3. 3

    Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter hetvoorstel over de te nemen eindbeslissing.

Paragraaf 3. Procedures bij stemmingen

Artikel 29. Algemene bepalingen over stemming
  1. 1

    De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Als geen stemming wordt gevraagd en ookde voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemmingis aangenomen.

  2. 2

    In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij geachtwillen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 28 Gemeentewet vanstemming te hebben onthouden.

  3. 3

    Als door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling.

  4. 4

    De voorzitter (of de griffier) roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen.De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 19 is aangewezen. Vervolgensgeschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.

  5. 5

    Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelnemingaan de stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uitte brengen.

  6. 6

    De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enigetoevoeging.

  7. 7

    Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellenvoordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dankan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekeningvragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verande-ring.

  8. 8

    De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantalvoor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij ook mededeling van het genomen besluit.

Artikel 30. Stemming over amendementen en moties
  1. 1

    Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.

  2. 2

    Als op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

  3. 3

    Als twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt deregel dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemmingwordt gebracht.

  4. 4

    Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstelgestemd en vervolgens over de motie.

Artikel 31. Stemming over personen
  1. 1

    Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen vaneen voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot stembureau.

  2. 2

    Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemmingmoet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek tezijn.

  3. 3

    Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aante bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingenworden samengevat op één briefje.

  4. 4

    Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal ledendat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallenniet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwestemming gehouden.

  5. 5

    Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewetworden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebbeningeleverd.

  6. 6

    In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van devoorzitter.

  7. 7

    Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslagvernietigd.

Artikel 32. Herstemming over personen
  1. 1

    Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordttot een tweede stemming overgegaan.

  2. 2

    Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen,heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming demeeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmenover meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussenwelke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  3. 3

    Als bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 33. Beslissing door het lot
  1. 1

    Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moetplaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

  2. 2

    Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze ge-vouwen,in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  3. 3

    Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam opdit briefje voorkomt, is gekozen.

Hoofdstuk 4. Rechten van leden

Artikel 34. Amendementen

  1. 1

    Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen. Eenamendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelente splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagdkan worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de raad, die de presentielijstgetekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.

  2. 2

    Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid isingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

  3. 3

    Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen wordenschriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudigekarakter van het voorgestelde -oordeelt dat met een mondelinge indiening kan wordenvolstaan.

  4. 4

    Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvormingdoor de raad heeft plaatsgevonden.

Artikel 35. Moties

  1. 1

    Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.

  2. 2

    Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitterworden ingediend

  3. 3

    De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met deberaadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

  4. 4

    De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaatsnadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld.

  5. 5

    Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de besluitvorming door de raadheeft plaatsgevonden.

Artikel 36. Voorstellen van orde

  1. 1

    De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstelvan orde doen dat kort kan worden toegelicht.

  2. 2

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  3. 3

    Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

Artikel 37. Initiatiefvoorstel

  1. 1

    Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij devoorzitter worden ingediend.

  2. 2

    De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij deschriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op deagenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst. Bij vaststelling van de agenda wordthet initiatiefvoorstel in stemming gebracht.

  3. 3

    De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellenen onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat:a. het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerdvoorstel of onderwerp moet worden behandeld;b. het voorstel eerst moet worden behandeld in een raadscommissie;c. het voorstel voor advies naar het college moet worden gezonden. In dit geval bepaalt deraad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

  4. 4

    De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel, niet zijndeeen voorstel voor een verordening.

  5. 5

    Op een spoedeisend initiatiefvoorstel, inhoudende het ontslag van een wethouder, zijn debepalingen in dit artikel niet van toepassing. Een dergelijk voorstel kan na instemming van deraad terstond aan de agenda toegevoegd worden.

Artikel 38. Collegevoorstel

  1. 1

    Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de agenda van de raadsverga-dering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  2. 2

    Als de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aanhet college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuwgeagendeerd wordt.

Artikel 39. Interpellatie

  1. 1

    Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van devoorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergaderingschriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van hetonderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

  2. 2

    De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overigeleden van de raad en de wethouders. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgendevergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De raadbepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

  3. 3

    De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van de raad, deburgemeester en de wethouders niet meer dan eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlofgeeft.

Artikel 40. Schriftelijke vragen

  1. 1

    Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.

  2. 2

    De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedigmogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college of de burgemeester wordengebracht.

  3. 3

    Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen dertig dagen,nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in deeerstvolgende raadsvergadering. Als beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden,stelt het verantwoordelijk lid van het college of de burgemeester de vragensteller hiervangemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zalplaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  4. 4

    De antwoorden van het college of de burgemeester worden door tussenkomst van de griffieraan de leden van de raad toegezonden.

  5. 5

    De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering enbij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op deagenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeesterof door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.

Artikel 41. Vragenhalfuur

  1. 1

    Aan het begin van iedere raadsvergadering is er een mondeling vragenhalfuur. In bijzonderegevallen kan de agendacommissie of het seniorenconvent bepalen dat het vragenhalfuur opeen ander tijdstip wordt gehouden. De voorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenhalfuureindigt.

  2. 2

    Het lid van de raad dat tijdens het vragenhalfuurtje vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp tenminste 24 uur voor aanvang van het vragenhalfuurtje bij de voorzitter.

  3. 3

    De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenhalfuuraan de orde worden gesteld.

  4. 4

    De voorzitter kan per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor de wethouders,voor de burgemeester en voor de overige leden van de raad bepalen.

  5. 5

    Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om een of meer vragen aanhet college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.

  6. 6

    Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewensthet woord om aanvullende vragen te stellen.

  7. 7

    Vervolgens kan de voorzitter aan andere leden van de raad het woord verlenen om hetzij aande vragensteller, hetzij aan het college vragen te stellen over hetzelfde onderwerp.

  8. 8

    Vragen die niet in dezelfde vergadering kunnen worden beantwoord, worden schriftelijk danwel mondeling in de eerstvolgende raadsvergadering dan wel in een commissievergaderingbeantwoord.

  9. 9

    Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interruptiestoegelaten.

Artikel 42. Inlichtingen

  1. 1

    Als een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derdelid, en 180, derde lid van de Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussen-komst van de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de burgemeester.

  2. 2

    De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad een afschrift van dit verzoekkrijgen.

  3. 3

    De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daaropvolgende vergadering gegeven.

  4. 4

    De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin deantwoorden zullen worden gegeven.

Hoofdstuk 5. Begroting en rekening

Artikel 43. Procedure begroting

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek, debehandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die de raad, op voorstelvan de agendacommissie of het seniorenconvent, vaststelt.

Artikel 44. Procedure jaarrekening

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het onderzoekvan de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van eeneventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die de raad, op voorstel van de agenda-commissie of het seniorenconvent, vaststelt.

Hoofdstuk 6. Lidmaatschap van andere organisaties

Artikel 45. Verslag en verantwoording

  1. 1

    Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de secretaris, die door de gemeenteraadis aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van eenander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelin-gen,heeft het recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukkenòf voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het algemeenbestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kande voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie.

  2. 2

    Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragenstellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen, vastgesteld in artikel 40, zijn vanovereenkomstige toepassing.

  3. 3

    Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoordingwenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaandaarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen, vastgesteld in artikel 42, zijn van overeen-komstigetoepassing.

  4. 4

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin deraad één van zijn leden heeft benoemd.

Hoofdstuk 7. Besloten vergadering

Artikel 46. Algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepas-singvoorzover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 47. Verslag

  1. 1

    Het verslag van een besloten vergadering wordt niet rondgedeeld, maar ligt uitsluitend voor deleden ter inzage.

  2. 2

    Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden.Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken vandit verslag. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 48. Geheimhouding

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig artikel 25, eerste lidvan de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhoudingzal gelden. De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.

Artikel 49. Opheffing geheimhouding

Als de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid, of artikel86, tweede en derde lid van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffenwordt, als daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in eenbesloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Hoofdstuk 8. Toehoorders en pers

Artikel 50. Toehoorders en pers

  1. 1

    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  2. 2

    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde isverboden.

Artikel 51. Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid- dan wel beeldre-gistratieswillen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijnaanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.

Artikel 52. Verbod gebruik mobiele telefoons

In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering het gebruik,alsmede het standby houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen, die inbreukkunnen maken op de orde van de vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet toege-staan.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 53. Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het re-glement,beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

Artikel 54. Inwerkingtreding

  1. 1

    Dit reglement treedt in werking op 1 oktober 2006.

  2. 2

    Op dat tijdstip vervalt het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad van de ge-meente Nunspeet, vastgesteld bij raadsbesluit van 25 april 2002 (nadien gewijzigd bij raadsbesluit van 23 mei 2003).

Toelichting 1. reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de

Toelichting reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van degemeenteraad van NunspeetAlgemene toelichtingNa vier jaar ervaring met de duale werkwijze van de raad is het goed om het reglement van ordekritisch te bekijken. Het modelreglement is opgesteld begin 2002 vooruitlopend op de inwerking-tredingvan de gewijzigde Gemeentewet. Gebleken is dat, hoewel het model in grote lijnen voldoet,deze op enkele punten bijstelling behoeft. De belangrijkste wijzigingen zijn: de nummering isaangepast en is nu doorlopend; het spreekrecht voor burgers is verwijderd uit het modelreglementvan orde en heeft meer nadruk gekregen in de verordening op de raadscommissies; de term se-niorenconventis in het model vervangen door de term presidium, maar in het Nunspeetse modelis de term van seniorenconvent gehandhaafd; introductie van de agendacommissie; de bepalingover notulen is aangepast, aansluiting bij terminologie uit Gemeentewet en opname van beslui-tenlijstvan de raadsvergadering; deregulering: schrappen spreekregels, volgorde sprekers en degedetailleerde uitwerking van het stembriefje; opname van een bepaling voor het geloofsbrieven-onderzoekvan de wethouder en de mogelijkheid van direct ontslag van een wethouder na eenmotie van wantrouwen.Enkele kleinere aanpassingen liggen op het vlak van het op logischere wijze invullen van bijv. degriffier of het seniorenconvent waar voorheen werd gesproken van de voorzitter; wat minder for-meelomgaan met bijvoorbeeld de aanwezigheid van een wethouder bij de vergadering; het opnemendat stukken op internet geplaatst worden als service aan de burger (hoewel wettelijk nietverplicht) en het met name noemen van de burgemeester als bestuursorgaan waar voorheengemakshalve over college werd gesproken. Uiteraard is er sprake van een modelreglement. Hetis aan de raad om te bepalen welke bepalingen zij wel of niet wil opnemen in haar reglement.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingenArtikel 1 - BegripsomschrijvingenOnder ‘aanhangig’ wordt verstaan aan de orde/in behandeling zijnd. De omschrijving van de ter-menamendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde als in de artikelen 147a en 147b van deGemeentewet.Artikel 2 - De voorzitterDe burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid van de Grondwet en artikel 9 vande Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzit-tenderaadslid het raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontstentenis van de burgemees-ter.Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in jaren degene die hetraadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad altijd de mogelijkheid zelf te kiezenvoor een andere waarnemer. De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van deGemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij on-derandere voor de handhaving van de orde in de vergadering.Artikel 3 - De griffierDe raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De griffier is in eersteinstantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. Hij is in principe in elke vergadering vande raad aanwezig. De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tothet deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent debeëdiging, woonplaats et cetera zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter gere-geldkan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voorde griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt.Artikel 4 - De secretarisDe secretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van het college en het leidenvan de ambtelijke organisatie. In het kader van die twee taken kan het ook wenselijk zijn dat desecretaris deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De secretaris wordt echter benoemden ontslagen door het college. Dit houdt in dat de raad de secretaris niet kan dwingen om in deraad aanwezig te zijn. De raad zal het college moeten verzoeken of het college de secretaris op-draagtin de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel te nemen. Op dezewijze kan de raad onder meer een beroep doen op kennis en informatie, die de secretaris bezit ofkan de secretaris bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren van de ambte-lijkeorganisatie.Artikel 5 - Het seniorenconventHet begrip seniorenconvent is in het reglement gehandhaafd. Het seniorenconvent bestaat uit defractievoorzitters en de voorzitter van de raad en vergadert in de regel in beslotenheid. In het seniorenconventkunnen college en de burgemeester met de fractievoorzitters onderling in voorkomendesituaties gevoelige informatie uitwisselen.Artikel 6 - De agendacommissieDe agendacommissie vervult een procedurele rol bij de voorbereiding van de raadsvergadering.Dan gaat het om het vaststellen van de agenda en de plaats en het tijdstip van niet reguliere ver-gaderingen.Verder heeft de agendacommissie tot taak het voorlopig vaststellen van de raadsagenda,met inbegrip van het aanwijzen van hamerstukken, het doen van voorstellen aan de gemeente-raadover de wijze van afdoening van ingekomen stukken en aanbevelingen aan de raadte doen inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad en van zijn commissies. Deagendacommissie is uit efficiencyoverwegingen geïntegreerd in de raadscommissie AlgemeenBestuur.

Hoofdstuk 2 - Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fractiesArtikel 7 - Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging; benoeming wethoudersMet de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis vanzijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling eenmodel vastgesteld. De benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden aan de raad stuk-kenoverlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelatente worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbarebetrekkingen die hij bekleedt, een uittrekstel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en –datum, en (wanneer niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet aan de vereisten vanartikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven moet ineen openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derdelid Gemeentewet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen overal dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven onderzoek brengtverslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie in-stelt,die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraalstembureau nieuwe leden heeft benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoeknaar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de eerstesamenkomst van de nieuwe raad na verkiezingen. Het onderzoek van de geloofsbrief strekt zichniet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is ereen verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van eentussentijdse vacature. Na een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergaderingvan de raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zalhen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofteaansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvin-den.De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van hetraadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet vastgelegd.De mogelijkheid van beroep bij de Raad van State tegen de beslissing tot toelating als lid van deraad is vervallen door inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002.Het vijfde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofs-brievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordigeris, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formeleeisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voorhet raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voorhet benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven inte stellen. Vandaar dat er een vijfde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepas-singals er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd: de incomptabiliteiten ennevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven vanzijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2 Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raadeen meerderheid heeft van één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemenen een nieuw raadslid te benoemen. De beoogde wethouder mag immers niet meestemmen overzijn eigen benoeming. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is wel een risico. Het kan immersgebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt benoemd of dat de geloofsbrieven nietworden goedgekeurd.Artikel 8 - FractiesIn een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een fractie moetworden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk begrip niet maar gaat onder andere in arti-kel33, tweede lid, wel uit van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (rechtop fractie-ondersteuning). In veel gemeenten bestaan regelingen ten aanzien van vergoedingenaan fracties, faciliteiten voor fracties, fractieassistentie, et cetera. In deze nadere regelingen kanworden aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip.Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden dieop dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergaderingvan de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst hadden staan. Op deze wijze is derelatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Hetkan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. Ineen dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee.In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigenvan de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijkziek zijn, een conflict met hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijner nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstellingvan de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ookmogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelf-standigefractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Uitgangspunt van onskiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen (een kandidaatwordt door de voorzitter van het stembureau benoemd).De Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel ‘hoort’ dan ook niet bij een partij maar isverbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijdsvan fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haarnaam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen heeft deraad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties ende naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzit-tervan de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergaderingnadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.Gevolg van fractieafsplitsing en ontstaan nieuwe fractie is ook dat de nieuwe fractie leden moetvoordragen voor commissies, lid wordt, als fractievoorzitter van de agendacommissie, fractieon-dersteuninget cetera.

Hoofdstuk 3 - VergaderingenParagraaf 1 - Tijd van vergaderen; voorbereidingenArtikel 9 - Tijd en plaats van vergaderenIngevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten envoorts als de burgemeester het nodig oordeelt of als ten minste een vijfde van het aantal ledenvan de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot uitdruk-kingdat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander aanvangsuur zoveel mogelijkoverleg pleegt met de agendacommissie. Op deze wijze houdt de agendacommissie ook bij ver-gaderingen,die niet op het gebruikelijke tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip ende plaats van de vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk be-lang,omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap combineert met een andere(on)betaalde functie.Artikel 10 - OproepIn artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van deraad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.Artikel 11 - AgendaDe agendacommissie stelt de voorlopige agenda van de raadsvergadering vast. Het versturenvan de agenda en stukken is geregeld in artikel 10. Dit is echter een voorlopige agenda. In dedagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergade-ringeen agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de ‘waan’ van de dag. In een dergelijke situatiekan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agendaen stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk tweedagen voor de aanvang van de vergadering.Het tweede lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raads-agenda.Individuele raadsleden kunnen via hun fractievoorzitter in de agendacommissie onderwerpenvoor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergaderingeen voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren.Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op devaststelling van de agenda.Het derde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatiete voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een on-derwerp,is het niet gewenst dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk gevalheeft de raad de mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of aan het collegenadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid regelt dat de raad op verzoek van een lid ofop voorstel van de voorzitter de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen.Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de eerste plaats zijn dit hetcollege en de burgemeester. Daarnaast kunnen raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Deagendacommissie kan voorstellen doen die te maken hebben met de organisatie en de werk-zaamhedenvan de raad.Artikel 12 - De wethouderArtikel 12 is een nadere uitwerking van artikel 21, tweede lid van de Gemeentewet. Dit artikelvoorziet in de mogelijkheid dat wethouders door de raad worden uitgenodigd om ter vergaderingaanwezig te zijn. Het gebruik van het werkwoord ‘uitnodigen’ geeft aan dat een wethouder kanweigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat eendergelijke weigering door de raad kan worden uitgelegd als een weigering inlichtingen te ver-schaffenof verantwoording af te leggen met alle mogelijke onaangename politieke gevolgen vandien voor de betrokken wethouder. Gelet op de frequentie van de raadsvergaderingen zullenveelal zaken uit alle portefeuilles aan de orde komen, zodat in de praktijk dikwijls alle wethouderszullen worden uitgenodigd. Als de wethouders in de vergadering aanwezig zijn, zullen ze vaakdeelnemen aan de beraadslagingen. Het kan echter wenselijk zijn dat een wethouder niet bij eenvergadering aanwezig is als de raad een zelfstandige afweging over een onderwerp of voorstel wilmaken, de raad bijvoorbeeld over het eigen functioneren van gedachten wil wisselen of bij devoorbereiding van een besluit tot het houden van een onderzoek naar het door het college ge-voerdebestuur.Bij de evaluatie van de dualisering merkt de stuurgroep Leemhuis op dat een wethouder te allentijde bij raadsvergaderingen aanwezig moet kunnen zijn. De VNG vindt echter dat elke individuelegemeente dat zelf moet kunnen bepalen. Voorlopig komt op dit punt geen actie in de vorm vaneen wetswijziging, hoewel het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wel on-derzoektop welke andere wijze invulling kan worden gegeven aan deze aanbeveling.In het herziene reglement van 2006 is dit artikel gewijzigd. In het vorige model was aangegevendat de wethouder voorafgaand aan de vaststelling van de voorlopige agenda kon verzoeken bij devergadering aanwezig te zijn, waarop het presidium hierover besliste. De praktische vraag is hoede wethouder kan weten wat er op de agenda gaat komen. Aangezien in de praktijk doorgaanséén en ander zich wel regelt op informele manier is gekozen voor de huidige bepaling.Artikel 13 - Ter inzage leggen van stukkenIn dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken, om de zogenaamde ‘achterliggende’ stukkenwaarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (adviezen, toelichtende nota's, etcetera).Artikel 14 - Openbare kennisgevingMet dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid van de Ge-meentewet.Wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemenewet bestuursrecht. Bij de herziening van het reglement is ook de verplichting opgenomen deagenda en stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service aan de burgeris dit gewenst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit is echter niet verplicht op grond vande Gemeentewet. Gemeenten kunnen ervoor kiezen het derde lid niet over te nemen.Paragraaf 2 - Orde der vergaderingArtikel 15 - PresentielijstDe verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 Gemeentewet. In ditartikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld omformeel vast te stellen dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stem-quorumvast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet. De griffier geeft de ambtelijkeondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom stelt hij samen met de voorzitter de presentielijstvast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig isen het quorum aanwezig was.- 18 -Artikel 16 - ZitplaatsenDe griffier is overeenkomstig artikel 3 in elke vergadering aanwezig en heeft daarom een eigenzitplaats. De voorzitter kan na overleg met de agendacommissie de indeling herzien, als daartoeaanleiding bestaat. Op grond van artikel 8a kunnen wethouders worden uitgenodigd om in devergadering aanwezig te zijn.Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter vergadering aanwezig te zijn. De voor-zitteris de aangewezen persoon om voor een zitplaats voor hen te zorgen.Artikel 17 - Opening vergaderingDe vergadering kan beginnen, als meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsledenaanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20 van de Gemeentewet voorziet in eenprocedure voor een tweede vergadering als het vereiste aantal leden niet op komt dagen.Artikel 18 - AmbtsgebedDe bepaling over het openings- en dankgebed tijdens raadsvergaderingen is gehandhaafd.Artikel 19 - Primus bij hoofdelijke stemmingDe volgorde van stemmen wordt pas op het moment van stemming door de voorzitter bepaald. Erkan ook bepaald worden om dat aan het begin van de vergadering te doen, alleen werd dat inNunspeet nooit gedaan.Artikel 20 - Verslag en besluitenlijstDit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze waarop het verslag wordtvastgesteld. Het maken van een verslag is niet verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen ge-sprokenover de verplichting op een besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet).Bij de herziening van het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit betreft de bepalingover de besluitenlijst en het gebruik van de term verslag. Wat dit laatste betreft, voorheenwerd gesproken over notulen. Gekozen is om aan te sluiten bij de terminologie van de Gemeen-tewet(artikel 23, vijfde lid) en de bepalingen in het modelreglement van orde voor het college.Het conceptverslag wordt tegelijkertijd met de schriftelijke oproep verstuurd aan de leden en ove-rigepersonen die het woord gevoerd hebben. Omdat wethouders (artikel 8a), de burgemeester,de griffier en de secretaris ook het woord kunnen voeren in de vergadering, kunnen zij ook eenvoorstel tot verandering van het verslag aan de raad doen. Een voorstel tot verandering dientvoorafgaand aan de vergadering schriftelijk te worden ingediend.De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de griffier aangewezenom voorstellen tot wijzigingen van het verslag in ontvangst te nemen, het verslag op te stellen endeze, tezamen met de voorzitter, te ondertekenen Het is aan de raad om te beslissen of eenvoorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt.Als de secretaris aanwezig is, dient zijn naam, omdat het een belangrijke functionaris blijft, ver-meldte worden in het verslag. Hetzelfde geldt voor wethouders.Verder dient het verslag niet alleen een zakelijke samenvatting van hetgeen de leden hebbengezegd te bevatten. Ook hetgeen de overige aanwezigen zoals bijvoorbeeld de aanwezige wet-houdersof de gemeentesecretaris of burgers zeggen moet zakelijk samengevat worden. Dit betekentdat die sprekers ook in het verslag genoemd moeten worden.Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is de openbaar-makingvan een besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht gesteld vanaf 19 februari 2003. Aleerder was in de Gemeentewet de verplichting voor het college opgenomen (artikel 60), doormiddel van een amendement is dit nu ook voor de raad geregeld in artikel 23, vijfde lid van deGemeentewet. Tijdens de behandeling van dit amendement in de Tweede Kamer is aangegevendat de besluitenlijst op zo kort mogelijke termijn moet worden gepubliceerd.Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de besluitenlijst ‘slechts’ een overzicht geeftvan (alle) door de raad genomen beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Algeme-newet bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te leggen). Anderevormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een geluidsopname van deraadsvergadering op CD, met een overzicht van de sprekers, de onderwerpen -voorzien van tijds-codes-en een besluitenlijst.Artikel 21 - Ingekomen stukken; mededelingenOmtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en be-sluitengenomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter kennisneming, steunen, afwijzen, in behandelingnemen, doorsturen naar een raadscommissie, doorsturen naar het college et cetera.Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer eeningekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijkewijze te worden voorbereid.De schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook bij de raad bin-nen.De mededelingen kunnen dan ook aangemerkt worden als een ingekomen stuk. Verder bewaaktde voorzitter de orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel van de agendacommissiede wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.Artikel 22 - Aantal spreektermijnenAls de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daar-toeuitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Ditbehoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na deinbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn. Het stellen van vragen dient ook alseen spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweedetermijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter in beginsel niet te honoreren. Deberaadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met deberaadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp.Artikel 23 - SpreektijdHet artikel strekt ertoe te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief regels kan stellen overde spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit niet voor te stellen. De voorzitter kan in het ka-dervan zijn taak tot het handhaven van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellenin de omvang van de spreektijd.Artikel 24 - Handhaving orde; schorsingHet eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken. Wel zijn interrupties toegestaanvoor zover de voorzitter bij een overvloed aan interrupties of in het belang van de voortgang vande beraadslagingen niet bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt.Om te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening te uiten, isin artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte te vervolgd kunnen worden, aan te spre-kenzijn of verplicht zijn getuigenis af te leggen over hetgeen zij in de vergadering zeggen ofschriftelijk overleggen. Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekkingop de wethouders, de secretaris, de griffier of andere personen, die het woord voeren. De voorzit-terkan hen tot de orde roepen. Als zij hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord wordenontzegd. De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een sprekerover een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid dieartikel 26, derde lid van de Gemeentewet biedt om aan dat lid dat door zijn gedragingen de gere-geldegang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemdebevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 25 is slechts een aanvullingop de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand het woord te ontnemen is een opfeitelijk handelen gerichte beslissing met een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van arti-kel1:3 Awb. (JB 9 (2002) 138). Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenenvan goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde.Artikel 25 - BeraadslagingTeneinde de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in onderdelen ofartikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel beraadslaagd. In het eerste lid is een uitzonde-ringsmogelijkheidopgenomen. Door de toevoeging ‘of een lid van de raad’ wordt ook raadsledenhet recht toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit brengt tot uitdruk-kingdat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht is aan ieder individueel raadslid toegekend.Dit past in het streven naar dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoor-digendeen daarmee agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook individueleraadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te beschikken. Als de schorsing alsbedoeld in het tweede lid aan het einde van de tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens tweemogelijkheden: er wordt direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt eenderde termijn toegevoegd. In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat demogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval als het college bij de bespre-kingvan het betreffende onderwerp vertegenwoordigd is.Artikel 26 - Deelname aan de beraadslaging door anderenDeze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verscho-ningsrecht.Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad bepaalt dat een bepaalde functionaris inbepaalde gevallen altijd aan de beraadslaging mag deelnemen. De raad kan bepalen dat de grif-fier,de secretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de beraadslagingen. De burgemeesterheeft het recht (het woord te voeren en) deel te nemen aan de beraadslagingen op grond vanartikel 21, eerste lid van de Gemeentewet. De strekking van artikel 26 blijft alleen onveranderdwanneer aan het eerste lid de griffier, de wethouder en de secretaris worden toegevoegd. Daar-meeblijft het artikel uitdrukken dat de raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan deberaadslagingen. In het tweede lid wordt het begrip ‘beslissing’ gebruikt. Het gaat hier namelijkniet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.Artikel 27 - StemverklaringStemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde ter-mijn,als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijkeoproep van de leden tot de stemming begint.Artikel 28 - BeslissingDe voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toege-licht,tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing.Als geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lidvan de Gemeentewet.Paragraaf 3 - Procedures bij stemmingenArtikel 29 - Algemene bepalingen over stemmingAls een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden.De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet afte wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellichtten overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid Gemeentewet, welke eenhoofdelijke stemming verplicht. De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassingkrijgen, als de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden te-genstemmen.Een raadslid kan zich alleen onthouden van stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet.In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen.Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn inzijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze verte-genwoordigdworden.In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep op artikel 28 Ge-meentewetafgewezen, maar heeft de Afdeling wel geconcludeerd dat het genomen besluit instrijd is met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenver-strengelingonvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezenover de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeentera-den.In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 Awb voorrangboven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van deuitspraak adviseert Minister Remkes in zijn beschouwing van 19 mei 2003:“de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bijstemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aan-vechtbaarzou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kadervan een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad kan in dergelij-kegevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individueleraadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe datvoorkomen kan worden (en dit bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode injuridische zin niet bindend, dit is ook niet wenselijk.”Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Alsde vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering nietvoltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ookdan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.Artikel 30 - Stemming over amendementen en motiesVoor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening en dergelijke)wordt verwezen naar de artikelen 1, 34 en 35 van dit reglement. Voor alle duidelijkheid wordt hiereen verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendementkomt in stemming voorafgaande aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motiestrekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit geno-men,nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over eenafzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing.Artikel 31 - Stemming over personenEind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen. Voorheen wasin artikel 31, eerste lid bepaald dat, als er wordt gestemd over de benoeming, voordracht of aan-bevelingvan personen, dit schriftelijk dient te geschieden door middel van gesloten en ongetekendestembriefjes. Op deze wijze zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting omdit bij stembriefjes te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook middels een elektronischstemsysteem stemmen over personen, mits de geheimhouding gewaarborgd is. Het reglementvan orde gaat vooralsnog uit van een stemming doormiddel van een behoorlijk ingevuld stem-briefjes.Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje(MvT, 19 403, nr. 3 p. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekeninggehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bijde bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat ondereen (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de wet niet geregeld. Bij deherziening van het reglement in 2006 is de bepaling wat wel en wat niet onder een behoorlijkstembriefje valt geschrapt. De bepalingen zijn onnodig gedetailleerd en zorgden in de praktijkregelmatig voor verwarring. Daarnaast heeft de raad altijd het laatste woord in het geval van twij-felover een behoorlijk stembriefje.Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald ambt (raadslid, wet-houder).Op het stembiljet wordt de naam van de te benoemen persoon (of personen in geval vanmeerdere vacatures) met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ vermeld. Het gaat hier overigensniet over de benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in artikel 4 van ditreglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt verstaan het als kandidaat voorstellen vaneen persoon voor een bepaald ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljettendienen de namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de op-ties‘voor’ en ‘tegen’.Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde personen voor een bepaald ambt voor tedragen, de raad mag van de aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrijestemming (zie ook toelichting bij artikel 28). Op de stembiljetten kunnen de namen van de aanbe-volenpersonen te worden vermeld met daarachter de opties ‘voor’ en ‘tegen’ én een vrije ruimtewaar een kandidaat van eigen keuze kan worden ingevuld.Artikel 32 - Herstemming over personenDe wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term ‘herstemming’ in artikel 31,tweede lid van de Gemeentewet te voorkomenArtikel 33 - Beslissing door het lotIn dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van hetgeen in artikel 31, derde lid van de Ge-meentewetis voorgeschreven.

Hoofdstuk 4 - Rechten van ledenArtikel 34 - AmendementenHet recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplichtde raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in het tweede tot en met het vierde lid.Op basis van artikel 147b van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behan-delen.Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functievan de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikkenover adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijkdat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft(geen drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende taak van de raadreëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de inkadering en de controle door de raad.Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aande effectuering van de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie van de raad.Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatief-voorstellenindienen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend,kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor testellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteldbesluit dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogstetwee termijnen. Als (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslagingnoodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn. Wat betreft de stemming overamendementen wordt verwezen naar artikel 30. Voorstel tot splitsing van een voorgesteld beslis-singkan, wanneer aangenomen, meebrengen dat één onderdeel van een besluit wel en een anderniet wordt aanvaard.Artikel 35 - MotiesIn het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie gegeven. Een motie iseen voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (vaninhoudelijke, politieke, procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring overbepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft dus niet een con-creetbesluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politiekebetekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of totuitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leidentot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentietrekken. Wat betreft de besluitvormingsprocedure omtrent een motie wordt opgemerkt datover een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over eenaanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdigmet de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. Een besluit overeen motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de verga-deringplaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 37 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualiseringveronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van deraadsleden.Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate in-strumenten.Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk isdat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Demogelijkheid om zonder drempelsteun een moties in te dienen staat dan ook ten dienste van eeneffectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.Artikel 36 - Voorstellen van ordeDe voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel vanorde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad. Bijstaken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop nietvan toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering vooreen pauze. Als het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatief-voorstelgevolgd te worden (artikel 37).Artikel 37 - InitiatiefvoorstellenHet is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen. Maar raadsleden kun-nenook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of ontwerpbeslissing ter behandeling bijde raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. In artikel 147a, eerste lid van deGemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de raad regelt op welkewijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt ingediend en behandeld. Het eerste tot enmet het derde lid van artikel 36 voorzien hierin. Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling totartikel 147a, tweede lid, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen verplichte behandeling voorge-schrevenis. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandelingnemen van een ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft hiervoor – in aanvulling op de eerstedrie leden voorschriften. Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de verte-genwoordigendeen controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individueleraadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectiefgebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemme-ringentoegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij het rechtvan initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle doorde raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel tenemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie. Het tweede lid houdtin dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst, maar de voor-zitterplaatst het voorstel echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laatde mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 7, derde lid, hetinitiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Aangezien het voor de hand ligt om de raadook de mogelijkheid te geven om een initiatiefvoorstel tezamen met een ander geagendeerdvoorstel of onderwerp te behandelen, is dit in het derde lid opgenomen. Een initiatiefvoorstel hoeftformeel niet langs het college, maar in geval het voorstel personele (en financiële) consequentiesheeft kan het raadzaam zijn het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies.De stuurgroep Leemhuis heeft in het evaluatierapport dualisering de aanbeveling gedaan om hetcollege de beleidsvoorbereiding te laten doen en om de rol van het college bij initiatiefvoorstellente versterken. De VNG vindt het niet nodig om op dit punt de Gemeentewet te wijzigen en hetcollege bij initiatiefvoorstellen een rol te geven. De positie van de raad, in haar kaderstellende rolis het uitgangspunt. De tendens dat het college meer betrokken moet worden bij de beleidsvoor-bereidingis evident. Toch dienen gemeenten ervoor te waken dat het college de kaderstellenderol van de raad niet gaat overnemen. De VNG heeft duidelijk aangegeven dat samenspel tussenbeide organen een oplossing is voor eventuele fricties.Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel, niet zijnde een ver-ordening,wenselijk acht, kunnen deze op basis van het vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kangedacht worden aan strijd met het algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeen-telijkbeleid.De raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op de ruimtelijke or-dening),het algemeen belang (bijvoorbeeld de volksgezondheid), het belang van de gemeente(bijvoorbeeld het terugtrekken uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het renove-renvan achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een parkeergaragein het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad autoluw is gemaakt). Het kamerlidKalsbeek heeft de minister van BZK vragen gesteld over het initiatiefrecht. De minister heeftaangegeven: “Het recht op initiatief houdt niet in dat individuele raadsleden en raadsminderhedenhet recht moeten hebben om onderwerpen op de agenda van de raad te plaatsen maar het houdtin dat zij in beginsel invloed moeten kunnen hebben op de agenda. Het is immers aan de raadom, aan het begin van de raadsvergadering, met meerderheid van stemmen, de agenda vast testellen. Het is dan ook de raad die beslist welke onderwerpen worden behandeld. Zou elk indivi-dueelraadslid het recht toekomen om agendapunten voor de vergadering aan te dragen dan zouhet effectief functioneren van de raad in gevaar kunnen komen. Een raadsminderheid die bij her-halingonderwerpen op de agenda plaatst, waarover de raadmeerderheid niet wenst te beraadslagen,kan de besluitvorming van de raad ernstig belemmeren”.Het vijfde lid is toegevoegd omdat de gedualiseerde Gemeentewet de mogelijkheid geeft eenwethouder na een motie van wantrouwen te ontslaan (artikel 49 Gemeentewet). In de oude Ge-meentewetwas een afkoelingstermijn van 30 dagen opgenomen. Zonder de bepaling in het vijfdelid is deze ontslagmogelijkheid niet mogelijk door de procedure regels van het reglement van orde.Artikel 38 - CollegevoorstelDit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die eenvoorstel voor een verordening of een ander voorstel kan agenderen dat het college heeft voorbe-reid.Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door henvoorbereide voorstel kan intrekken als het college van oordeel is dat verdere behandeling van hetvoorstel niet wenselijk is. De raad moet hier toestemming voor geven. Als de raad van oordeel isdat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan deraad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nog-maalsvoor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken hetvoorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echterwanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel dat door het college verder voorbe-reidis, opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar deraad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.Artikel 39 - InterpellatieDit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in hetverlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordi-gerom tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het collegeof de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig. Dualisering veronder-steltversterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoordienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten.Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individueleraadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Wel is hier gekozen vooreen ondersteuning door de raad bij gewone meerderheid. Minister Pechtold heeft in een brief van16 december 2005 aan de Groen-Links fractie in Schoonhoven aangegeven dat de raad de ruim-teheeft op eigen beleid te ontwikkelen, waardoor de raad dus de vrijheid heeft om te bepalen dateen raadsmeerderheid nodig is om een interpellatiedebat te houden. De minister juicht dit echterniet toe. Voor de democratie lijkt het hem goed om de regels van de Tweede Kamer te volgen. Dithoudt in dat de toestemming ven een betekenende minderheid (ondersteuning door 30 van de150 leden) volstaat. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van de raad.Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de interpellatie ook op de hoogte wordengesteld van de inhoud van het verzoek. Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor ge-zorgd.De toelichting eerder in dit reglement over de stuurgroep Leemhuis en de (verplichte) aanwezig-heidvan collegeleden is ook op dit artikel van toepassing.Artikel 40 - Schriftelijke vragenHet vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegen-hedendie tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van dezevragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslidschriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoorde-lijkis. De verantwoordelijke portefeuillehouder dient de vragensteller gemotiveerd in kennis testellen, wanneer de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet devoorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft daarom het antwoord.De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is dat een collegelid of de burgemeester directkan antwoorden op een vraag. Om die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anderskan beslissen. In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteldnadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Alsde vragensteller van mening is dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raadmoet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp ofhet voorstel op de agenda van de raad te krijgen.Artikel 41 - VragenhalfuurDeze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste lid van de Gemeentewetmet betrekking tot het vragenrecht. Het vragenhalfuur kan bijdragen aan een vergroting van debetrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de doelstellingen van dualisering. Bewust is ergekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur. Veelal fungeert de rondvraag in deraadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is hetechter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die redenen omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kanhiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden via het vragenhalfuurtje. De drempel om vra-gente stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot.In het vragenhalfuurtje krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (ledenvan) het college aan de tand te voelen. Het karakter van het vragenuur verschilt dan ook van hetrecht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karak-ter.Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerdebestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt. Raadsleden vra-gendaarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur.Het vragenuur kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel ishet voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenuur op een vast tijdstip tehouden. In het tweede lid is een aanmeldingstermijn van 24 uur voor vragen opgenomen vanwe-gehet feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragenvan raadsleden. Vanwege het minder zware karakter van het vragenuur vergeleken met deinterpellatie is gekozen voor een aanmeldingstermijn van 24 uur (terwijl voor de interpellatie 48uur geldt).Artikel 42 - InlichtingenIn dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college ende burgemeester hebben ten opzichte van de raad.

Hoofdstuk 5 - Begroting en rekeningArtikel 43 - Procedure begroting en artikel 44 - Procedure jaarrekeningIn deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening vastgelegd. De desbetref-fendeprocedure kan jaarlijks of in zijn algemeenheid voor een langere periode worden bepaald.In de Handreiking voor de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213,213a Gemeentewet) (uitgave Vernieuwingsimpuls) wordt de inhoudelijke kant uitgewerkt.

Hoofdstuk 6 - Lidmaatschap van andere organisatiesArtikel 45 - Verslag en verantwoordingLeden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de gemeen-tesecretaris),die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichtenaldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naamvan de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regelingfunctioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ookde gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatiever-strekkingaan de raad bepalingen te bevatten.In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraardkan ook een ander moment worden gekozen). En wordt aangegeven dat bespreking in een com-missiekan plaatsvinden.In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, over-eenkomstigde regels, daarvoor gesteld in artikel 40. Het derde lid bevat de procedure voor de terverantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen. Het is zinvol de bepalingenvan dit artikel ook van toepassing te verklaren op andere organisaties, waarin de raad een ofmeer van zijn leden heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonenen vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vier-de lid.

Hoofdstuk 7 - Besloten vergaderingArtikel 46 - AlgemeenDit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing zijn opeen raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan debepalingen omtrent het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht vanmotie, het maken van het verslag. De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepas-sing,voorzover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van devergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruikgemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een beslotenvergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in deartikelen 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. In artikel 23 vande Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het sluiten van de deuren’, dewijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.Artikel 47 - VerslagIn dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid van de Gemeentewet. De griffier isverantwoordelijk voor het verslag van de raadsvergadering en ook voor het verslag van een be-slotenvergadering. Dit verslag ligt ter inzage bij de griffier.Artikel 48 - GeheimhoudingHetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege onder de ge-heimhoudingsplicht.Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 25 jo artikel 55 vande Gemeentewet noodzakelijk.Artikel 49 - Opheffing geheimhoudingIn de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding vanstukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus(zie bijvoorbeeld artikel 86, tweede lid van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burge-meestergeheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de raadscommissieheeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad verzoeken de geheimhouding op teheffen (als de burgemeester daar niet toe bereid is).In het onderhavige artikel is nu ter zake een overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordtgedaan aan het principe van hoor en wederhoor. Op grond van artikel 25, derde en vierde lid, kangeheimhouding worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder tenaanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad overleggen. De opgelegde ge-heimhoudingmet betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, als de raad de opleggingniet in zijn eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helftvan het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. Als de raad niet van plan isde opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan het orgaan dat geheimhouding heeft opge-legd,in een besloten vergadering met de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kandan gaan om de vraag waarom de raad de geheimhouding wil opheffen.

Hoofdstuk 8 - Toehoorders en persArtikel 50 - Toehoorders en persDe hier aangeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste en tweede lidvan de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de raad om toehoorders die deorde verstoren, kan doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toezegging kan ontzeg-gen.Artikel 51 - Geluid- en beeldregistratiesAangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tvstati-onsgeluids- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een beslotenvergadering betreft.Artikel 52 - Verbod gebruik mobiele telefoonsDit artikel 47 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele telefoonverkeer werktverstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter onverlet dat als zwaarwegende redenen ditnoodzakelijk maken, de voorzitter aanwezigen toestemming kan geven hun mobiele telefoon welstand-by te laten staan.

Hoofdstuk 9 - SlotbepalingenArtikel 53 - Uitleg reglementDit artikel behoeft geen toelichting.Artikel 54 - InwerkingtredingDit artikel behoeft geen toelichting.