HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken 1995

Verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken 1995

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingVerordening inzake de wijze waarop ingezetenen en in de gemeente een belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken 1995
CiteertitelInspraakverordening 2008
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen

Opmerkingen m.b.t. de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
11-06-2008 n.v.t. wijziging 29-05-2008 Nunspeet Huis aan Huis, 3-06-2008 benw 21-05-2008

Tekst van de regeling

Nr.De raad van de gemeente Nunspeet;

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 21 mei 2008, nr. ;

gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

− vast te stellen de verordening inzake de wijze waarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid worden betrokken (Inspraakverordening).

Hoofdstuk 1. Nieuw Hoofdstuk

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

De verordening verstaat onder:a. inspraak: het betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid;b. inspraakprocedure: de wijze waarop de inspraak gestalte wordt gegeven;c. beleidsvoornemen: het voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid.

Artikel 2. Onderwerp van inspraak

  1. 1

    Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

  2. 2

    Inspraak wordt altijd verleend als de wet daartoe verplicht.

  3. 3

    Geen inspraak wordt verleend:a. ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;b. als inspraak bij of op grond van wettelijk voorschrift is uitgesloten;c. als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;d. inzake de volgende ruimtelijke plannen:- ruimtelijke plannen, die betrekking hebben op een zeer beperkt grondgebied (zogenoemde postzegelplannetjes);- bestemmingsplanherzieningen op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening;- bestemmingsplannen waarvoor in de voorbereiding al een ruimtelijk plan (bijvoorbeeld een masterplan of verkavelingsplan) in de inspraak is gebracht;- wijzigings- en uitwerkingsplannen ex artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.e. inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;f. als de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;g. als het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Artikel 3. Inspraakgerechtigden

Inspraak wordt verleend aan ingezetenen en belanghebbenden.

Artikel 4. Inspraakprocedure

  1. 1

    Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  2. 2

    Het bestuursorgaan kan voor een of meer beleidsvoornemens een andere inspraakprocedure vaststellen.

Artikel 5. Eindverslag

  1. 1

    Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op.

  2. 2

    Het eindverslag bevat in elk geval:a. een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;b. een weergave van de zienswijzen die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;c. een reactie op deze zienswijzen, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan.

  3. 3

    Het bestuursorgaan maak het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar.

  4. 4

    De burgemeester vermeldt het eindverslag in zijn burgerjaarverslag.

Artikel 6. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de dag van bekendmaking.

Artikel 7. Intrekking oude verordening

Met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening wordt de bij raadsbesluit van 26 januari 1995 vastgestelde Inspraakverordening 1995 ingetrokken.

Artikel 8. Citeerartikel

Deze verordening kan worden aangehaald als Inspraakverordening 2008.

Sluiting

Vastgesteld ter openbare vergadering

van 29 mei 2008,

de griffier, de voorzitter

Toelichting 1. Toelichting op de Modelinspraakverordening

InleidingMet de inwerkingtreding van de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure (WUOV) per1 juli 2005, is artikel van de 150 Gemeentewet een jaar later per 1 juli 2006 ingrijpend gewijzigd. In2003 is de Modelinspraakverordening hierop aangepast en zijn gemeenten door een VNGledenbriefingelicht. Inmiddels blijkt dat de algemene toelichting van de Modelinspraakverordeninguit 2003 geactualiseerd moet worden. Ook is uit analyse van de veelgestelde VNG-vragen geblekendat onduidelijkheid is over de mogelijkheden van het al dan niet toepassen van de inspraakprocedure.Met dit bericht geven wij nadere uitleg over de te volgen inspraakprocedures en dereikwijdte van het nieuwe artikel 150 van de Gemeentewet in relatie tot een aantal bijzondere wetten.Inspraak en WUOVDe tekst van artikel 150 van de Gemeentewet per 1 juli 2006 is als volgt:1. “De raad stelt een verordening vast, waarin regels worden gesteld met betrekking tot de wijzewaarop ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid wordenbetrokken;2. De in het eerste lid bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van deAlgemene wet bestuursrecht, voor zover in de verordening niet anders wordt bepaald”.Inspraak stelt de burger op indirecte wijze in staat invloed – geen medebeslissende bevoegdheid –uit te oefenen bij de voorbereiding van beleid. De inspraak moet plaatsvinden in de fase van voorbereiding,dus voordat de besluitvorming is afgerond. Onder voorbereiding van het gemeentelijkbeleid wordt verstaan het hele proces dat aan de concrete besluitvorming voorafgaat. Kortom,inspraak moet worden verleend op een moment dat enig beleidsvoornemen is uitgekristalliseerd,maar de definitieve besluitvorming nog niet heeft plaatsgevonden en nog door inspraak beïnvloedkan worden. Beleid omvat in ieder geval plannen, verordeningen, regelingen, beschikkingen enandere rechts- en bestuurshandelingen.Hoofdregel is dat de bedoelde inspraak wordt verleend door toepassing van afdeling 3.4 van deAlgemene wet bestuursrecht (AWB) waarin de WUOV-procedure uitgewerkt staat. Verder zijn deinspraakbepalingen inhoudelijk en terminologisch Algemene wet bestuursrechtovereenkomstiggemaakt, onder andere door het schrappen van specifieke bepalingen van het klachtrecht en dooraanpassing aan het belanghebbende begrip van de AWB. Het tweede lid bepaalt overigens datook andere procedures dan die van afdeling 3.4 gevolgd kunnen worden, zoals schriftelijke enmondelinge enquêtes, hoorzittingen, het houden van facultatieve referenda (geen beslissende).Genoemde zaken zijn geregeld in de Modelinspraakverordening, maar nu opnieuw onder uw aandachtgebracht.Uitbreiding kring van inspraakgerechtigdenOp grond van artikel 3:15, eerste en tweede lid van de AWB, staat deelname aan de WUOV inieder geval open voor belanghebbenden, maar kan ook aan anderen de gelegenheid worden gebodenaan de procedure deel te nemen. In dat laatste geval moet dit bij wettelijk voorschrift ofdoor het bestuursorgaan zelf worden bepaald. De bijzondere wetten, zoals de Wet milieubeheer(WM) en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) bepalen dat zienswijzen door ‘eenieder’ naarvoren gebracht kunnen worden.Inspraak en andere alternatievenInspraak kan worden onderscheiden in interactieve beleidsvorming en het burgerinitiatief. Interac-tiefbeleid houdt in dat bestuursorganen, burgers, maatschappelijke organisaties, bedrijven ofandere overheden in een vroeg stadium worden gevraagd mee te denken, niet over een concreet(concept)besluit, maar over een meer algemeen beleidsvoornemen.Een beleidstraject is pas interactief als aan twee voorwaarden wordt voldaan:a. de burger of organisaties zijn in een vroegtijdig stadium betrokken bij de voorbereiding envorming van het beleid;b. de burgers en/of organisaties hebben de mogelijkheid daadwerkelijk invloed uit te oefenen opde uitkomst van het proces.Idealiter speelt hierbij de mening van de burgers een belangrijke rol in het uiteindelijke besluit ofbeleid. Zowel inspraak als interactief beleid legt het initiatief om de burger bij het beleid te betrek-kenbij de overheid. Het burgerinitiatief echter legt het initiatief bij de burger zelf en kan uiteindelijkook leiden tot inspraak van een bepaald onderwerp of thema. Het hanteren van deze verschillen-devormen van participatie kan leiden tot onduidelijkheid, maar hoeft elkaar niet uit te sluiten. Vanbelang is dat recht wordt gedaan aan het gestelde in artikel 7 van de Gemeentewet, namelijk datde gemeenteraad de gehele bevolking vertegenwoordigt. Om een zo duidelijk mogelijk beeld tekrijgen van de belangen en wensen van de bevolking, kan gebruik worden gemaakt van deze(inspraak)mogelijkheden.Onderwerp van inspraakDe raad schept het kader voor in ieder geval het college, de burgemeester en de raad zelf omover eigen onderwerpen inspraak te verlenen. Hiermee wordt de bevoegdheid om te besluiten totinspraakverlening, overgedragen aan elk bestuursorgaan afzonderlijk.Wettelijke verplichtingen tot het bieden van inspraak bestaan nu bij:a. de voorbereiding van het gemeentelijke Milieubeleidsplan (artikel 4.17, derde lid van de WM;b. de voorbereiding van een besluit tot vaststelling van een afvalstoffenverordening die afwijktvan artikel 10.21 van de WM (artikel 10.26, tweede lid van de WM);c. voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning (artikel 11 van deWet maatschappelijke ondersteuning (WMO));d. de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen(artikel 42 van de IOAZ) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsonge-schiktewerkloze werknemers (artikel 42 van de IOAW);e. de voorbereiding van een welstandsnota (artikel 12a, tweede lid van de Woningwet);f. de voorbereiding van besluiten tot uitsluiting van welstandstoetsing, zoals bedoeld in artikel12, tweede lid, onder a en b van de Woningwet (artikel 12, vierde lid van de Woningwet);g. Op basis van artikel 14a, lid 1 van de Monumentenwet 1988 is op de voorbereiding van eenbesluit op een aanvraag om vergunning, zoals bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet1988, Afdeling 3.4 van de AWB van toepassing.Bijzondere wettenWijziging Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO)Met de invoering van de WUOV zijn ook diverse bijzondere wetten veranderd, waaronder WRO.Op de volgende (relevante) punten is de WRO aangepast:- artikel 6a is vervallen: daarin was geregeld de verplichting om bij de voorbereiding van ruimtelij-keplannen of herziening daarvan dan wel bij de voorbereiding van een vrijstellingsbesluit opgrond van artikel 19 van de WRO inspraak te verlenen;- artikel 19a, lid 4: op de voorbereiding van een vrijstellingsbesluit op grond van artikel 19 van deWRO is de WUOV van toepassing;- artikel 23, eerste lid: op de voorbereiding van een bestemmingsplan is de WUOV van toepassing.Hiervoor is aangegeven dat de WRO is gewijzigd en dat voor diverse besluiten is bepaald dat opde voorbereiding ervan de WUOV van toepassing is. Tegelijk is – in verband daarmee – de ver-plichtingvervallen inspraak op die besluiten te verlenen. Inspraak wordt alleen nog verleend alssprake is van ruimtelijk ingrijpende plannen. Van geval tot geval wordt afgewogen of en zo ja, opwelke wijze inspraak wordt verleend. Voor vrijstellingen waarin het bestemmingsplan voorziet – dezogeheten binnenplanse vrijstellingen – moet het desbetreffende bestemmingsplan bepalen wel-keprocedure van toepassing is.Wijziging Wet werk en bijstandArtikel 47 van de Wet werk en bijstand (WWB) schrijft voor dat de gemeenteraad regels steltwaarop de personen bedoeld in de wet of hun vertegenwoordigers worden betrokken bij de uit-voeringvan de wet. In dit artikel wordt artikel 150 van de Gemeentewet, waarbij de inspraak is geregeld,niet genoemd. In het wetsvoorstel kwam deze passage wel voor maar deze is bij amendementkomen te vervallen. Voor deze groep is geregeld dat bij verordening cliëntenparticipatie geregeldwordt.Inspraak MilieubeleidsplanBij de totstandkoming van het Milieubeleidsplan is de inspraakprocedure van toepassing. In artikel4.17 van de WM is opgenomen dat het college de ingezetenen en de in de gemeente belangheb-bendenatuurlijke en rechtspersonen betrekt bij het voorbereiden van het Milieubeleidsplan, op dewijze zoals aangegeven in de Inspraakverordening. Concreet houdt dit in dat voor de toepassingvan de inspraakprocedure een afzonderlijk besluit moet worden genomen en dat de WUOV vantoepassing is. Inspraak en AfvalstoffenverordeningArtikel 10.26, lid 2 van de WM heeft betrekking op de volgende besluiten:1. Een besluit van de gemeenteraad om huishoudelijk restafval en gft-afval in te zamelen nabijelk perceel (op basis van artikel 10.26, lid 4, gelden hiervoor regels die opgenomen zijn in de‘Regeling voorwaarden inzamelen huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel’. Deze regelingstelt dat: "de afstand tussen het perceel waar de huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en deinzamelvoorziening of de clusterplaats niet meer bedraagt dan 75 meter. De gemeenteraadkan in bijzondere gevallen bij de verordening, bedoeld in artikel 10.10, eerste lid van de WM,bepalen dat de afstand wordt vastgesteld op ten hoogste 125 meter". Deze regeling komt zeerwaarschijnlijk te vervallen bij de komende wijziging van de WM.)2. Een besluit van de gemeenteraad om huishoudelijk restafval en gft-afval niet wekelijks in tezamelen (maar bijvoorbeeld alternerend, de ene week gft en de andere week restafval).3. Een besluit van de gemeenteraad dat gft-afval in de gemeente niet gescheiden wordt ingezameld.Inspraak ter voorbereiding van een welstandsnota en van besluiten ter uitsluiting van dewelstandtoetsing (Woningwet)Artikel 12a van de Woningwet verplicht de gemeenteraad een welstandsnota vast te stellen, alsdie de bouwwerken aan redelijke eisen van welstand wil toetsen. Op grond van artikel 12a, eerstelid, zijn welstandscriteria beleidsregels. Bij de voorbereiding van deze beleidsregels is op grondvan artikel 12a, tweede lid van de Woningwet de inspraakprocedure op grond van artikel 150 vande Gemeentewet van toepassing verklaard. De gemeenteraad kan op grond van artikel 12, tweedelid onder a en b van de Woningwet respectievelijk gebieden binnen het gemeentelijk grondgebieden categorieën van bouwwerken uitsluiten van de welstandstoetsing. Het vierde lid van artikel12 van de Woningwet schrijft bij de voorbereiding van deze besluiten de inspraakprocedure opgrond van artikel 150 van de Gemeentewet voor.Inspraak in relatie tot de IOAZ en IOAWArtikel 42 van zowel de IOAW als de IOAZ geven gemeenten een wettelijke verplichting tot hetbieden van inspraak. De inspraak gebeurt op de wijze zoals opgenomen in de Modelinspraakverordening.Daarin verschillen deze wetten van de WWB, waarin een verordening voorcliëntenparticipatie wordt voorgeschreven, die ook inspraak omvat.Inspraak en de MonumentenwetDe inspraak geregeld in de Monumentenwet is alleen verplicht voor de aanvraag om vergunningop rijksmonumenten. Hiernaast bestaat een gemeentelijk monumentenregime dat voortvloeit uitde eigen beleidsvrijheid van de gemeenten en niet, op welke wijze dan ook, uit de Monumentenwet1988. Daar is dus niet de verplichting om Afdeling 3.4 van de AWB van toepassing te verklaren.Vervallen Wet voorzieningen gehandicapten per 1 januari 2007 en inwerkingtreding WMOMet ingang van 1 januari 2007 is de WMO van kracht. Deze wet treedt in de plaats van de Wetvoorzieningen gehandicapten. In artikel 11 van de WMO is bepaald dat het college van burgemeesteren wethouders ingezetenen van de gemeente en in de gemeente belanghebbende natuurlijkepersonen en rechtspersonen betrekt bij de voorbereiding van het beleid betreffendemaatschappelijke ondersteuning, op de wijze voorzien in de op grond van artikel 150 van de Gemeentewetvastgestelde verordening.