HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018
CiteertitelVerordening onroerende-zaakbelastingen 2018
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpVerordening onroerende-zaakbelasting 2018

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, art 220

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
23-12-2017 n.v.t. Nieuwe regeling 21-12-2017 Gemeenteblad Nunspeet 49, 22 december 2017 337

Tekst van de regeling

Artikel

De raad van de gemeente Nunspeet:

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 14 november 2017;

gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

besluit

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2018

Artikel 1. Belastingplicht

1.Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen

onroerende zaken twee directe belastingen geheven:

  1. a.

    een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;

  2. b.

    een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

    1. 2.

      Bij de gebruikersbelasting wordt:

  3. a.

    gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

  4. b.

    het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

    1. 3.

      Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of

beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2. Belastingobject

a.Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet

waardering onroerende zaken.

b.Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk

IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3. Maatstaf van heffing

a.De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken

voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.

b.Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van

hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de

artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4. Vrijstellingen

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van de in artikel 220d van de Gemeentewet bedoelde onroerende zaken waarvoor de daar benoemde vrijstelling van toepassing is.

Artikel 5. Belastingtarieven

1.Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage

bedraagt voor:

  1. a.

    de gebruikersbelasting: 0,136 %;

  2. b.

    de eigenarenbelasting:

    1. 1.

      voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,091 %;

    2. 2.

      voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,167 %;

    3. 2.

      Geen belasting wordt geheven indien de heffingsmaatstaf van de onroerende zaak blijft beneden € 2.500,00.

    4. 3.

      Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro’s.

    5. 4.

      Belastingaanslagen van minder dan € 10,00 worden niet opgelegd.

    6. 5.

      Voor de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 6. Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7. Termijnen van betaling

  1. 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de eerste maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later;

  2. 2.

    In afwijking van het eerste lid moeten, indien een machtiging voor automatische incasso is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen worden afgeschreven, de aanslag(en) worden betaald in tien gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand later;

  3. 3.

    In afwijking van het tweede lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen minder is dan € 5.000,00;

  4. 4.

    In afwijking van het tweede lid wordt, voor zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen minder is dan € 50,00, het verschuldigde bedrag in twee gelijke maandelijkse termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die van de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijn een maand later geincasseerd;

  5. 5.

    De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende zaakbelastingen.

Artikel 9. Inwerkingtreding en citeertitel

  1. 1.

    De verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2017 van 22 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  2. 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van bekendmaking.

  3. 3.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.

  4. 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als "verordening onroerende-zaakbelastingen 2018”.

Vastgesteld ter openbare vergadering

van 21 december 2017,

de griffier, de voorzitter,