HOME  |  Bestuur en Organisatie  |  Verordeningen en regelingen  |  Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet 2009

Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet 2009

Gegevens van de regeling

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nunspeet
Officiële naam regelingVerordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet 2009
CiteertitelVerordening voorzieningen onderwijshuisvesting gemeente Nunspeet 2009
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerponderwijs

Opmerkingen m.b.t. de regeling

wijziging bijlage IV

 

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet op het primair onderwijs, artikel 102
  2. wet op de expertisecentra, artikel 100
  3. Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 76m

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Integraal huisvestingsplan 2011-2014

 

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
Datum inwerkingtredingTerugwerkende kracht t/mBetreftDatum ondertekening, Bron bekendmakingKenmerk voorstel
01-07-2010 n.v.t. Nieuwe regeling 27-05-2010 Nunspeet Huis aan Huis, 8-6-2010 onbekend

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Nunspeet;

- gelezen het voorstel van het college van 25 november 2008, nr……..;

- gelet op artikel 102 van de Wet op het primair onderwijs (Wpo), artikel 100 van de Wet op de expertisecentra (wec), artikel 76m van de Wet op het voortgezet onderwijs (Wvo);

- gelet op artikel 5 van de Gemeentewet;

- gelet op artikelen 4:4, 6:2, 6;12 en 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht;

- overwegende dat voor het toekennen van voorzieningen in de huisvesting voor het basison-derwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs en het voortgezet onderwijs door de gemeente-raad in de vergadering van 18 december 2008 een verordening is vastgesteld;

- gezien het advies van de raadscommissie Maatschappij en Middelen;

- gezien het gevoerde op overeenstemming gerichte overleg met de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen;

b e s l u i t

in te trekken de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet, vastgesteld door de gemeenteraad in de vergadering van 24 september 2004:

vast te stellen de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet 2009.

 

Hoofdstuk 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder

a. minister: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

b. bevoegd gezag: bevoegd gezag van een volgens de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs bekostigde openbare of bijzon-dere school, die geheel of gedeeltelijk gehuisvest is in een gebouw dat zich bevindt op het grondgebied van de gemeente;

c. school: school voor basisonderwijs, school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en school voor voortgezet onderwijs;

 school voor basisonderwijs: een basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs;

 school voor (voortgezet) speciaal onderwijs: een school voor speciaal onderwijs of een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 8 van de Wet op de expertisecentra en een school voor voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

 school voor voortgezet onderwijs: school of scholengemeenschap voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, voor hoger en middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, voor voorbereidend beroepsonderwijs en voor praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 1, 2 en 5 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

d. nevenvestiging: deel van een school dat door de minister ingevolge artikel 85 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 76a of artikel 76b van de Wet op de expertisecentra of artikel 75 van de Wet op het voortgezet onderwijs voor bekostiging in aanmerking is ge-bracht;

e. voorziening: een van de voorzieningen in de huisvesting als bedoeld in artikel 2 van deze verordening;

f. programma: het programma als bedoeld in artikel 12 van deze verordening;

 

g. overzicht: het overzicht van de niet in het kader van de vaststelling van het programma in-gewilligde aanvragen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening;

h. aanvrager: het bevoegd gezag dat een aanvraag voor vergoeding van een voorziening of voor bekostiging van bouwvoorbereiding van een voorziening als bedoeld in artikel 25 van deze verordening heeft ingediend;

i. aanvraag: verzoek om vergoeding van een voorziening of om bekostiging van bouwvoorbe-reiding;

j. voor blijvend gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, 15 jaar of langer noodzakelijk is;

k. voor tijdelijk gebruik bestemde voorziening: voorziening in de huisvesting die, volgens de uitkomst van de prognose als bedoeld in bijlage II van deze verordening, niet langer dan 15 jaar noodzakelijk is;

l. permanent gebouw: schoolgebouw dat door de keuze van het ontwerp en de aard van de constructie en materialen ten minste 40 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;

m. noodlokaal: verplaatsbare ruimte die door de keuze van het ontwerp en de aard van de con-structie en materialen ten minste 15 jaar als volwaardige huisvesting voor het onderwijs kan functioneren;

n. gymnastiekruimte: ruimte die geschikt is voor het onderwijs in lichamelijke oefening;

o. advies Onderwijsraad: een advies van de Onderwijsraad over de vaststelling van het pro-gramma in relatie tot de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting, als bedoeld in arti-kel 95 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 93 van de Wet op de expertisecentra, ar-tikel 76f van de Wet op het voortgezet onderwijs;

p. verhuur: het gebruik van een onderwijsgebouw door derden, niet zijnde onderwijsgebruik of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden.

q. gezamenlijke akte: de akte als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet on-derwijs;

r. beslissing gedeputeerde staten: de beslissing van gedeputeerde staten in een geschil als bedoeld in artikel 110 , tweede lid van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 , tweede lid van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u, tweede lid van de Wet op het voortgezet onderwijs;

s. eigendomsoverdracht: de eigendomsoverdracht als bedoeld in artikel 110 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 108 van de Wet op de expertisecentra, artikel 76u van de Wet op het voortgezet onderwijs.

 

Artikel 2. Omschrijving voorzieningen in de huisvesting

Bij de toepassing van deze verordening worden de volgende voorzieningen onderscheiden:

a. de voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen bestaande uit:

1. nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging in aanmerking is ge-bracht, dan wel nieuwbouw ter gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw waar-in een school is gehuisvest, al dan niet op dezelfde locatie;

2. uitbreiding van een gebouw waarin een school is gehuisvest;

3. gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;

4. verplaatsing van een of meer bestaande noodlokalen ten behoeve van de huisvesting van een school;

5. terrein voor zover nodig voor de realisering van een onder a sub 1o tot en met 4o om-schreven voorziening;

6. inrichting met onderwijsleerpakket [invullen voor vwo, avo en vbo: of met leer- en hulp-middelen] voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;

7. 7.inrichting met meubilair voor zover deze nog niet eerder voor bekostiging van rijks- of gemeentewege in aanmerking is gebracht;

8. medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik van een gymnastiekruimte;

9. aanpassing voor zover deze aanpassing noodzakelijk is voor de opvang van een gehan-dicapte leerling in het reguliere onderwijs, die in het bezit is van een indicatie voor een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs;

b. aanpassingen aan gebouwen bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;

c. onderhoud aan gebouwen van een school voor basisonderwijs en een school voor (voortge-zet) speciaal onderwijs bestaande uit een of meer activiteiten zoals onderscheiden in bijlage I;

d. herstel van een constructiefout bestaande uit schade aan een gebouw veroorzaakt door ei-gen gebrek of eigen bederf, evenals uit kosten gemoeid met het voorkomen van nog niet zichtbare materiële schade onmiddellijk voortvloeiend uit ontwerpfouten, uitvoeringsfouten of wanprestatie;

e. herstel en vervanging in verband met schade aan een gebouw, onderwijsleerpakket voor vo: of leer- en hulpmiddelen en meubilair ingeval van bijzondere omstandigheden;

f. huur van een sportterrein, dat niet in eigendom is van een bevoegd gezag, voor een school voor voortgezet onderwijs ten behoeve van het onderwijs in lichamelijke oefening.

Artikel 3. Vaststelling vergoeding voorzieningen

1. Bij toekenning van de in artikel 2 genoemde voorzieningen wordt bij de wijze van vaststelling van de hoogte van de vergoeding een onderscheid gemaakt tussen vooraf genormeerde be-dragen en bedragen gebaseerd op de feitelijk voorziene kosten per geval.

2. De genormeerde vergoedingsbedragen worden vastgesteld met inachtneming van het be-paalde in bijlage IV , deel A. De vergoedingsbedragen die zijn gebaseerd op de feitelijke kos-ten worden vastgesteld met inachtneming van het bepaalde in bijlage IV, deel B.

Deel A van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder a 1 tot en met 7 en onder e met uitzondering van schade.

Deel B van bijlage IV is van toepassing op de voorzieningen als bedoeld in artikel 2, onder B, c ,d en e voor zover het betreft schade.

 

Artikel 4. Informatieverstrekking

1. Het bevoegd gezag verstrekt aan het college gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoe-ring van het bepaalde in deze verordening.

2. Het college kan nadere regels stellen aan de gegevensverstrekking.

3. Bij de gegevensverstrekking wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld formulier.

Hoofdstuk 2. PROGRAMMA EN OVERZICHT

Paragraaf 2.1. Aanvragen programma

Artikel 5. Indiening aanvraag
  1. 1

    Een aanvraag voor opname van een voorziening op het programma wordt voor 1 januari van het jaar van vaststelling van het betreffende programma door het bevoegd gezag ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraag-formulier.

  2. 2

    Als de aanvraag niet voor 1 januari is ingediend, besluit het college de aanvraag niet te be-handelen, tenzij de aanvraag voor 15 januari wordt ontvangen en het bevoegd gezag gemoti-veerd aangeeft waarom de aanvraag niet voor 1 januari kon worden ingediend. Het besluit om de aanvraag niet te behandelen, wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier we-ken na ontvangst van de ingediende aanvraag.

  3. 3

    Aanvragen ingediend na de datum als genoemd in het tweede lid, neemt het college niet in behandeling.

Artikel 6. Inhoud aanvraag; gelegenheid tot aanvullen aanvraag; niet behandelen onvolle-dige aanvraag
  1. 1

    De aanvraag vermeldt in ieder geval:

    a. de naam en het adres van de aanvrager;

    b. de dagtekening;

    c. de naam van de school en, voor zover van toepassing, het gebouw ten behoeve waarvan de voorziening is bestemd;

    d. welke voorziening wordt aangevraagd;

    e. de onderbouwing van de noodzaak en de omvang van de gewenste voorziening;

    f. de geplande aanvangsdatum van uitvoering van de voorziening.

     

  2. 2

    In aanvulling op de in het eerste lid vermelde gegevens gaat de aanvraag vergezeld van:

    a. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a onderdelen 6° tot en met 8° en artikel 2, onder d, e en f;

    b. de aanduiding van de gewenste plaats waar de voorziening moet worden gerealiseerd, indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2, onder a, onderdelen 1° tot en met 4°;

    c. een rapportage waaruit de bouwkundige noodzaak blijkt, indien het een voorziening be-treft bestaande uit:

     nieuwbouw voor de gehele of gedeeltelijke vervanging van een gebouw;

     onderhoud aan een gebouw van een school voor basisonderwijs of van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs, of;

     herstel van een constructiefout.

    Bij de rapportage wordt gebruik gemaakt van het door het college vastgestelde for-mulier 'Bouwkundige opname'.

    d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering van de voorziening, indien de aanvraag betrekking heeft op een voorziening waarop het gestelde in artikel 3, derde lid, laatste volzin van toepassing is;

     

  3. 3

    Het college stelt de aanvrager voor 15 februari schriftelijk op de hoogte van het ontbreken van gegevens, als bedoeld in het eerste of tweede lid. De aanvrager wordt tot 15 maart in de ge-legenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen. Indien de vereiste gegevens niet voor 15 maart zijn verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

  4. 4

    Indien een door het college in behandeling genomen aanvraag betrekking heeft op een voor-ziening voor een school, waarvan de beoordeling van de noodzaak mede is gebaseerd op het aantal leerlingen van de betrokken school op de wettelijke teldatum van 1 oktober van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 5 valt, dan zendt de aanvrager het college onverwijld een afschrift van de jaarlijkse opgave aan de minister van het aantal leerlingen dat op de wet-telijke teldatum staat ingeschreven op de betrokken school. Indien het college het afschrift niet binnen een week na de wettelijke teldatum heeft ontvangen, deelt het college dit schrifte-lijk mee aan de aanvrager. Daarbij wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld het afschrift binnen drie dagen na de datum van ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien het afschrift niet binnen de termijn als bedoeld in de vorige volzin is verstrekt, neemt het college de aanvraag niet in behandeling.

Artikel 7. Opgave ingediende aanvragen

Het college verstrekt aan de bevoegde gezagsorganen een opgave van de ingevolge artikel 6 ingediende aanvragen en geeft daarbij aan welke aanvraag of aanvragen niet in behandeling worden genomen.

Paragraaf 2.2. Overleg voorafgaand aan vaststelling programma en overzicht

Artikel 8. Toelichting aanvraag; overleg over ingediende begroting
  1. 1

    Het college of de aanvrager kan verzoeken de aanvraag nader toe te lichten.

  2. 2

    Het college treedt in overleg met de aanvrager, indien de aanvraag een voorziening betreft waarop het gestelde in artikel 3, derde lid, laatste volzin van toepassing is en het college van oordeel is dat de door de aanvrager overgelegde kostenbegroting dient te worden aangepast. Het college geeft in het voorstel tot vaststelling van het bedrag, het programma en het over-zicht als bedoeld in paragraaf 2.3, onder vermelding van de redenen, aan wanneer er in het overleg geen overeenstemming is bereikt over de hoogte van het geraamde bedrag. Het col-lege geeft in dit voorstel tevens de hoogte van het geraamde bedrag aan, waarvan voor de aangevraagde voorziening wordt uitgegaan bij de toepassing van het gestelde in para-graaf 2.3.

Artikel 9. Overleg programma en overzicht; advies Onderwijsraad
  1. 1

    Voordat het college het programma en het overzicht vaststelt, worden de bevoegde gezags-organen in een overleg in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de voorgenomen in-houd van dat voorstel naar voren te brengen.

  2. 2

    Het overleg als bedoeld in het eerste lid vindt plaats voor 15 september. De bevoegde gezagsorganen worden ten minste twee weken voor de door het college vastgestelde datum schriftelijk in kennis gesteld van het tijdstip van het overleg en de voorgenomen inhoud van het voorstel. Zij worden hierbij tevens in kennis gesteld van de voorgenomen inhoud van het voorstel.

  3. 3

    De bevoegde gezagsorganen die niet deelnemen aan het overleg als bedoeld in het eerste lid, kunnen vóór de in het tweede lid bedoelde datum hun zienswijze schriftelijk kenbaar ma-ken aan het college. Het college stelt de deelnemers aan het overleg hiervan in kennis.

  4. 4

    Het college maakt een verslag van de in het overleg door de bevoegde gezagsorganen naar voren gebrachte zienswijzen, van de tijdig ingediende, schriftelijk kenbaar gemaakte zienswij-zen en van de reactie van het college op deze zienswijzen. Het verslag wordt toegezonden aan alle bevoegde gezagsorganen.

  5. 5

    Een bevoegd gezag of college dat advies wenst van de Onderwijsraad over het voorstel met betrekking tot de voorgenomen inhoud van het programma, in relatie tot de vrijheid van rich-ting en de vrijheid van inrichting, maakt dit kenbaar tijdens het overleg als bedoeld in het eer-ste lid. Dit gebeurt aan de hand van een schriftelijk gemotiveerde omschrijving van de onder-werpen waarover het advies van de Onderwijsraad wordt verwacht. Hierbij wordt tevens het verband aangegeven tussen deze onderwerpen en de vrijheid van richting en de vrijheid van inrichting.

  6. 6

    De bevoegde gezagsorganen en het college worden in het overleg tijdens de gelegenheid gesteld hun zienswijzen naar voren te brengen over een verzoek om advies van de Onderwijsraad. Het schriftelijke verzoek om advies en de daarover naar voren gebrachte zienswijzen maken deel uit van het verslag van het overleg als bedoeld in het vierde lid.

  7. 7

    Het college is belast met de indiening van een verzoek om advies bij de Onderwijsraad. Daarbij zorgt het ervoor dat de Onderwijsraad alle stukken ontvangt die nodig zijn voor de beoordeling van het verzoek, waaronder het schriftelijk verslag van het overleg.

  8. 8

    Een afschrift van het door de Onderwijsraad uitgebrachte advies wordt zo spoedig mogelijk door het college toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen. Indien het geheel of gedeel-telijk opvolgen van het advies van de Onderwijsraad zou leiden tot een of meer inhoudelijke bijstellingen van de voorgenomen inhoud van het programma, dan worden de bevoegde gezagsorganen door het college bij de toezending van het afschrift van het advies uitgenodigd voor een nader overleg. In alle andere gevallen beoordeelt het college of nader bestuurlijk overleg over het advies van de Onderwijsraad noodzakelijk is. Het college geeft dit aan bij de toezending van het afschrift van het advies van de Onderwijsraad.

  9. 9

    Het nader overleg als bedoeld in het vorige lid vindt binnen twee weken plaats na toezending van het advies van de Onderwijsraad aan de bevoegde gezagsorganen. Het college maakt van dit overleg een verslag en voegt dit toe aan het verslag als bedoeld in het vierde lid.

Paragraaf 2.3. Vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht

Artikel 10. Tijdstip vaststelling
  1. 1

    Het college stelt het bekostigingsplafond vast voor de vergoeding van de aangevraagde voorzieningen. Dit bekostigingsplafond kan worden gesplitst in afzonderlijke bedragen per onderwijssoort of per voorziening.

  2. 2

    Het programma en het overzicht worden vastgesteld op uiterlijk 31 december van het jaar waarin de datum genoemd in artikel 6 valt.

Artikel 11. Inhoud programma
  1. 1

    De aangevraagde voorzieningen waarmee in het jaar volgend op het jaar van vaststelling van het programma een aanvang kan worden gemaakt, komen, voor zover het college heeft vast-gesteld dat geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, in aan-merking voor plaatsing op het programma. Daarbij past het college de regels toe met betrek-king tot:

    a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I;

    b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;

    c. de oppervlakte en indeling van schoolgebouwen als bedoeld in bijlage III. Van de voor plaatsing op het programma in aanmerking komende voorzieningen neemt het college, aan de hand van de urgentiecriteria als bedoeld in bijlage V, uitsluitend voorzieningen op in het programma voor zover het bedrag of de deelbedragen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, toereikend zijn.

     

  2. 2

    Op voorstel van het overleg als bedoeld in artikel 9, kan het college de raad verzoeken bij de vaststelling van het programma af te mogen wijken van de urgentiecriteria als bedoeld in bij-lage V.

  3. 3

    Ten aanzien van de in het programma opgenomen voorzieningen wordt, voor zover van toe-passing, door het college aangegeven:

    a. het genormeerde bedrag dat ingevolge bijlage IV, deel A voor de betreffende voorziening beschikbaar wordt gesteld;

    b. het geraamde bedrag gemoeid met de uitvoering van de voorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, laatste volzin;

    c. de voorwaarden betreffende ingebruikneming of buitengebruikstelling van gebouwen of lokalen.

     

Artikel 12. Inhoud overzicht
  1. 1

    Het overzicht bevat de aangevraagde voorzieningen die, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, niet in het programma zijn opgenomen.

  2. 2

    Ten aanzien van elk van de in het overzicht opgenomen voorzieningen wordt aangegeven waarom deze niet in het programma zijn opgenomen.

Artikel 13. Bekendmaking besluiten vaststelling bekostigingsplafond, programma en overzicht
  1. 1

    De bekendmaking van de besluiten tot vaststelling van het bekostigingsplafond, het programma en het overzicht geschiedt binnen twee weken na de datum van vaststelling door toezending door het college van de besluiten aan de aanvragers. Tegelijkertijd met de bekendmaking doet het college schriftelijk mededeling over de besluiten aan de overige bevoegde gezagsorganen.

  2. 2

    De besluiten als bedoeld in het eerste lid worden tegelijkertijd met de bekendmaking ter inzage gelegd.

Paragraaf 2.4. Uitvoering programma

Artikel 14. Overleg wijze van uitvoering
  1. 1

    Binnen vier weken na vaststelling van het programma treedt het college in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering van de op het programma geplaatste voorziening. In dit overleg wordt alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van de voorziening. Daarbij worden, voor zover van toepassing, afspraken gemaakt over:

    a. het bouwheerschap als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de Exper-tisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs;

    b. het tijdstip van indiening van het bouwplan en de begroting door de aanvrager;

    c. een andere wijze van uitvoering van het besluit met inachtneming van het beschikbaar te stellen bedrag;

    d. de wijze waarop het college toepassing geeft aan de toetsing van het bouwplan en de begroting, alsmede aan de toetsing in verband met wettelijke voorschriften en nieuwe fei-ten en omstandigheden als bedoeld in artikel 15;

    e. de controle op en het afleggen van verantwoording over de besteding van de beschikbaar te stellen middelen.

     

  2. 2

    Indien het overleg betrekking heeft op de uitvoering van een voorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, laatste volzin, dan geeft de aanvrager aan op welke wijze de aanbesteding van de uitvoering zal plaatsvinden. Daarbij worden, voor zover van toepassing, gezien de aard van de voorziening, de gestelde richtlijnen als bedoeld in bijlage IV, deel B in acht genomen.

  3. 3

    De inhoud van de afspraken of de constatering dat het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, legt het college schriftelijk vast in een verslag, dat het binnen vier weken na af-loop van het overleg ter kennis van de aanvrager brengt. Indien de aanvrager schriftelijk in-stemt met het verslag of binnen twee weken na ontvangst nog niet schriftelijk heeft gerea-geerd, wordt er, afhankelijk van de inhoud van het vastgestelde verslag, geacht overeen-stemming of geen overeenstemming te zijn bereikt.

  4. 4

    Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 15, vierde lid, neemt het college binnen vier weken nadat de overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, een beslissing over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. Het bepaalde in artikel 16 is daarbij van overeenkomstige toepassing.

  5. 5

    Indien in het overleg geen overeenstemming als bedoeld in het derde lid is bereikt, deelt het college binnen vier weken nadat het verslag is vastgesteld, dit schriftelijk mee aan de aanvra-ger. Daarbij wordt aangegeven dat de bekostiging van de uitvoering van de voorziening geen aanvang zal nemen.

Artikel 15. Instemming bouwplannen en begroting; tijdstip aanvang bekostiging; toetsing wettelijke voorschriften en nieuwe feiten en omstandigheden; overlegging offertes
  1. 1

    Nadat de overeenstemming als bedoeld in artikel 14, derde lid, is bereikt en voorafgaand aan het verlenen van een bouwopdracht, dient de aanvrager met inachtneming van de hierover gemaakte afspraken, de bouwplannen, de desbetreffende begroting en een aanduiding van het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang dient te nemen, ter instemming in bij het col-lege.

  2. 2

    Binnen acht weken na ontvangst van de stukken beslist het college over de instemming met de bouwplannen, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt. Het college kan, onder mededeling daarvan aan de aanvrager, deze termijn verlengen met vier weken. Indien niet binnen deze termijn is besloten, wordt geacht instemming te zijn verleend met de bouwplannen en de begroting en vangt de bekostiging aan op het door de aanvrager aangegeven tijdstip. Het college deelt de beslissing over het bouwplan, de desbetreffende begroting en het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, binnen twee weken na de datum van de beslissing schriftelijk mee aan de aanvrager.

  3. 3

    Bij de beslissing als bedoeld in het tweede lid stelt het college eveneens vast of de feiten en omstandigheden waarin de school verkeert ten opzichte van de feiten en omstandigheden ten tijde van de vaststelling van het programma, al dan niet ingrijpend zijn gewijzigd. Bij een naar het oordeel van het college ingrijpende wijziging van de feiten en omstandigheden komt de voorziening alsnog niet voor bekostiging in aanmerking.

  4. 4

    De instemming met de bouwplannen, de instemming met de begroting, de toetsing of voldaan wordt aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften, en de toetsing of er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden kunnen achterwege blijven als dat naar het oordeel van het college niet noodzakelijk is gezien de inhoud van de in het programma opgenomen voorzie-ning. Het college doet hiervan mededeling aan de aanvrager in het overleg als bedoeld in artikel 14.

  5. 5

    De indiening van de in het eerste en het tweede lid bedoelde begroting blijft achterwege indien het de uitvoering betreft van een voorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, laatste volzin. De beslissing van het college als bedoeld in het tweede lid betreft dan uitsluitend de beoordeling van het bouwplan. Daarbij zijn de genoemde termijnen in het tweede lid van overeenkomstige toepassing.

  6. 6

    Nadat het college met het bouwplan van een voorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, laatste volzin, heeft ingestemd, overlegt de aanvrager met inachtneming van de hierover ge-maakte afspraken als bedoeld in artikel 14, tweede lid, aan het college de aan de aanvrager uitgebrachte offertes voor de uitvoering van de voorziening. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de offertes over het bedrag dat definitief beschikbaar wordt gesteld voor de uitvoering van de voorziening en over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang kan nemen. De aanvrager wordt binnen twee weken na de datum van deze beslissing hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Voor de vaststelling van het definitieve bedrag is de offerte met de laagste prijsstelling bepalend.

Artikel 16. Aanvang bekostiging

Het college kan bij de beslissing als bedoeld in artikel 15, tweede lid of artikel 15, zesde lid, over het tijdstip waarop de bekostiging een aanvang neemt, bepalen dat de beschikbaarstelling van de gelden in termijnen plaatsvindt. De beschikbaarstelling van de gelden geschiedt dan telkens op een zodanig tijdstip dat de aanvrager kan voldoen aan de financiële verplichtingen voortkomend uit de realisering van de op het programma geplaatste voorziening.

Artikel 17. Vervallen aanspraak op bekostiging
  1. 1

    De aanspraak op bekostiging van een voorziening vervalt, indien de aanvrager niet vóór 1 oktober van het jaar volgend op de vaststelling van het programma een bouwopdracht heeft verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst heeft gesloten en een afschrift hiervan niet voor 15 oktober daaropvolgend aan het college is gezonden. De in de eerste vol-zin bedoelde bouwopdracht is onherroepelijk en vermeldt de aanvangsdatum van het werk en de termijn, uitgedrukt in het aantal werkbare dagen, waarbinnen het werk wordt opgeleverd. De in de eerste volzin bedoelde overeenkomsten zijn onherroepelijk. Een huur- of erfpacht-overeenkomst vermeldt de datum van inwerkingtreding, alsmede de duur van de overeen-komst. Een koopovereenkomst vermeldt de datum van aankoop.

  2. 2

    De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de termijn als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen en de aanvrager voor 1 september een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn, als bedoeld in het eerste lid, bij het college heeft ingediend.

  3. 3

    Het college beslist voor 15 september op het verzoek tot verlenging van de termijn. Indien het verzoek wordt ingewilligd, wordt in het besluit aangegeven tot welke datum de termijn als be-doeld in het eerste lid wordt verlengd.

Hoofdstuk 3. AANVRAGEN MET SPOEDEISEND KARAKTER

Paragraaf 3.1. Aanvraag

Artikel 18. Indiening aanvraag

Een aanvraag tot bekostiging van een voorziening in de huisvesting die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, kan worden ingediend bij het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 19. Inhoud aanvraag
  1. 1

    De aanvraag bevat in ieder geval de gegevens zoals vermeld in artikel 6, eerste lid. In aanvul-ling daarop dient de aanvrager de volgende gegevens te verstrekken:

    a. een nadere aanduiding van de omstandigheden die de voorziening in de huisvesting spoedeisend maken;

    b. de reden waarom de voorziening in de huisvesting niet kon worden aangevraagd in het kader van een nog vast te stellen programma;

    c. een prognose van het te verwachten aantal leerlingen van de school, die voldoet aan de in bijlage II omschreven vereisten, tenzij het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 2 onder a, onderdelen 6 tot en met 8 en artikel 2 onder d, e en f;

    d. een begroting van de kosten gemoeid met de uitvoering indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 3de lid, laatste volzin.

     

  2. 2

    Indien naar het oordeel van het college een of meer gegevens als bedoeld in het eerste lid ontbreken, wordt dit binnen twee weken na datum van indiening van de aanvraag schriftelijk medegedeeld aan de aanvrager. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens binnen twee weken na ontvangst van de mededeling in te dienen bij het college. Indien de aanvrager de vereiste ontbrekende gegevens niet binnen de in de vorige volzin bedoelde termijn heeft verstrekt, besluit het college de aanvraag niet te behandelen.

Paragraaf 3.2. Beoordeling aanvraag; uitvoering besluit

Artikel 20. Tijdstip beslissing
  1. 1

    Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag of binnen vier weken nadat de aanvullende gegevens zijn verstrekt of hadden moeten zijn verstrekt. Binnen twee weken na de datum van de beslissing wordt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis gesteld door het college.

  2. 2

    Indien een beschikking niet binnen vier weken kan worden gegeven, stelt het college de aan-vrager daarvan in kennis en noemt daarbij een redelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Artikel 21. Inhoud beslissing
  1. 1

    De aangevraagde voorziening wordt toegewezen, indien het college heeft vastgesteld dat het treffen van de voorziening, gelet op de voortgang van het onderwijs, geen uitstel kan lijden en geen van de in de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs opgenomen weigeringsgronden van toepassing is. Bij deze vaststelling past het college de regels toe met betrekking tot:

    a. de beoordelingscriteria als bedoeld in bijlage I ;

    b. de prognosecriteria als bedoeld in bijlage II ;

    c. de oppervlakte en indeling van gebouwen als bedoeld in bijlage III .

     

  2. 2

    De beslissing van het college kan een gedeelte van de gewenste voorziening dan wel een andere dan de gevraagde voorziening omvatten.

  3. 3

    Het college vermeldt welk genormeerd bedrag ingevolge het bepaalde in bijlage IV , deel A voor de toegewezen voorziening beschikbaar wordt gesteld, dan wel wat het geraamde be-drag is indien het een voorziening betreft als bedoeld in artikel 3, derde lid, laatste volzin. Bij de beschikking stelt het college vast voor welke datum een bouwopdracht moet zijn verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst moet zijn gesloten, en voor welke datum een afschrift daarvan aan de raad moet zijn toegezonden. Binnen vier maanden na de datum van de beschikking door het college moet een bouwopdracht zijn verleend, dan wel een koop-, huur-, of erfpachtovereenkomst zijn gesloten.

Artikel 22. Uitvoering beslissing

Na bekendmaking van de beslissing als bedoeld in artikel 20, eerste lid, waarbij een vergoeding is toegewezen, treedt het college zo spoedig mogelijk in overleg met de aanvrager over de wijze van uitvoering.Het bepaalde in de artikelen 14, 15 en 16 is daarbij van overeenkomstige toepas-sing, met dien verstande dat in plaats van de termijn, genoemd in artikel 15, tweede lid, eerste volzin, een termijn van vier weken geldt. Hiervoor moet worden gelezen vier weken.

Artikel 23. Vervallen aanspraak bekostiging
  1. 1

    Indien niet voor de in artikel 21, derde lid bedoelde tijdstippen een bouwopdracht is verleend, dan wel een koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is gesloten en een afschrift daarvan is ge-zonden aan het college, vervalt de aanspraak op bekostiging. Ten aanzien van de inhoud van een bouwopdracht, dan wel koop-, huur- of erfpachtovereenkomst is het bepaalde in artikel 17, eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  2. 2

    De aanspraak op bekostiging vervalt niet, indien de overschrijding van de datum veroorzaakt wordt door bijzondere omstandigheden, die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen, en de aanvrager uiterlijk vier weken voor het verstrijken van deze datum een schriftelijk gemotiveerd verzoek heeft ingediend bij het college tot verlenging van de termijn.

  3. 3

    Dit verzoek schort het vervallen van de aanspraak op bekostiging op totdat het college op het verzoek beslist. Indien het college het verzoek inwilligt, noemt de raad een nieuwe datum waarop de aanspraak op bekostiging vervalt. Indien het college het verzoek afwijst, geldt de datum van beslissing op het verzoek als vervaldatum, met dien verstande dat deze datum niet voor de oorspronkelijke vervaldatum kan vallen.

Hoofdstuk 4. MEDEGEBRUIK EN VERHUUR

Paragraaf 4.1. Medegebruik ten behoeve van onderwijs of educatie

Artikel 24. Aanduiding omstandigheden

Het college kan overgaan tot vordering van een gedeelte van een gebouw of terrein, bestemd voor een school, indien:

a. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een school berekend volgens het gestelde in bijlage III, delen A en B en het bevoegd gezag van die school een aanvraag als bedoeld in artikel 5 of 18 voor medegebruik of uitbreiding heeft ingediend;

b. het bevoegd gezag van een school een aanvraag voor een andere huisvestingsvoorziening heeft ingediend en door medegebruik aan de behoefte aan huisvesting kan worden voorzien;

c. er sprake is van een tekort aan huisvestingscapaciteit bij een andere school of een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, vastgesteld aan de hand van de voor die school of instelling gangbare berekeningswijze;

d. er sprake is van leegstand in een lesgebouw van een school;

e. er sprake is van leegstand in gymnastiekruimte van een school.

 

Artikel 25. Omschrijving leegstand
  1. 1

    Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:

    a. wanneer het betreft een gebouw van een school voor basisonderwijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien uit de vergelijking van het aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw in vierkante meters bruto-vloeroppervlakte zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A, blijkt dat er ten minste een aantal vierkante meters bruto-vloeroppervlakte ter grootte van de in bijlage III, deel C genoemde drempelwaarde niet nodig is voor de daar gevestigde school of scholen;

    b. wanneer het betreft een gebouw van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de vergelijking van de ruimtebehoefte zoals berekend op basis van bijlage III, deel B en de capaciteit van het gebouw zoals vastgesteld op basis van bijlage III, deel A blijkt dat er een overschot is aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende school-jaar aantoont dat er binnen het overschot aan vierkante meters bruto-vloeroppervlakte geen sprake is van onderbenutting van de onderwijsruimten.

     

  2. 2

    Er is sprake van leegstand in een gymnastiekruimte:

    a. wanneer het een gebouw betreft dat wordt gebruikt door een of meer scholen voor basis-onder-wijs of voor (voortgezet) speciaal onderwijs, indien de som van het aantal klokuren gebruik minder is dan 26 klokuren;

    b. wanneer het een gebouw betreft van een school voor voortgezet onderwijs, indien uit de berekening op basis van bijlage III, deel B blijkt dat benutting van het gebouw lager is dan 40 lesuren, tenzij het bevoegd gezag op basis van het lesrooster of de lesroosters voor het lopende of eerstkomende schooljaar aantoont dat dit niet het geval is;

     

Artikel 26. Nalaten vordering; volgorde van vorderen
  1. 1

    Het college gaat niet over tot vordering ten behoeve van medegebruik indien het bevoegd gezag de leegstand van het gebouw waarin het beoogde medegebruik dient plaats te vinden in gebruik heeft gegeven aan een andere school of scholen ten behoeve van het onderwijs aan die school of scholen.

  2. 2

    Het gestelde in het eerste lid is niet van toepassing indien het gebruik van die andere school of scholen kan plaatsvinden in de aan die scholen reeds ter beschikking staande huisvestingscapaciteit.

  3. 3

    Indien er zich in meerdere gebouwen leegstand voordoet wordt:

    a. als eerste de leegstand gevorderd in het gebouw dat in gebruik is bij een school van het-zelfde bevoegd gezag, tenzij uit oogpunt van doelmatigheid het vorderen van leegstand in een ander gebouw een betere oplossing biedt;

    b. vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw waarin een school van dezelfde richting is gehuisvest en

    c. vervolgens de leegstand gevorderd in het gebouw dat het dichtst gelegen is bij het hoofdgebouw van de school ten behoeve waarvan de vordering plaatsvindt.

     

  4. 4

    Het college kan, indien de bij de vordering betrokken bevoegde gezagsorganen daarmee instemmen, in een individueel geval van de in het derde lid opgenomen volgorde afwijken.

Artikel 27. Overleg en mededeling
  1. 1

    Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering van leegstand in een lesge-bouw of gymnastiekruimte, voert het college daarover overleg met het bevoegd gezag waar-van de leegstand gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huisvesting is be-stemd. Dit overleg maakt deel uit van het overleg als bedoeld in artikel 9.

  2. 2

    Binnen vier weken na de vaststelling van het programma als bedoeld in artikel 10, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.

  3. 3

    Indien het college voornemens is om over te gaan tot vordering in het kader van een aan-vraag als bedoeld in artikel 18, voert het college daarover zo spoedig mogelijk overleg met het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt en met het bevoegd gezag waarvoor de huis-vesting is bestemd.

  4. 4

    Binnen een week na het overleg als bedoeld in het vorige lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering aan het bevoegd gezag waarvan gevorderd wordt. Van deze mededeling kan worden afgezien als dat bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar tegen de vordering te hebben.

  5. 5

    De schriftelijke mededeling van het college als bedoeld in het tweede en vierde lid, bevat in ieder geval:

    a. de naam van de school en het bevoegd gezag ten behoeve waarvan wordt gevorderd;

    b. een aanduiding van het aantal leerlingen ten behoeve waarvan gevorderd wordt of, indien het betreft het onderwijs in lichamelijke oefening, het aantal klokuren dat gevorderd wordt;

    c. een aanduiding van het gebouw waarop de vordering betrekking heeft;

    d. een aanduiding van het aantal en het type ruimten dat gevorderd wordt;

    e. de periode waarvoor gevorderd wordt en de ingangsdatum van het medegebruik.

     

Artikel 28. Vergoeding

De bevoegde gezagsorganen die het betreft stellen in onderling overleg, met inachtneming van de wettelijke bepalingen, een vergoeding voor het medegebruik vast. Indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, geldt het bepaalde in bijlage IV , deel C.

Paragraaf 4.2. Medegebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden

Artikel 29. Aanduiding omstandigheden

Het college kan overgaan tot vordering indien:

a. er sprake is van leegstand van een lesgebouw of een gymnastiekruimte zoals bedoeld in artikel 25;

b. er sprake is van onderbenutting van een sportveld van een school voor voortgezet onderwijs, blijkend uit het lesrooster van de school of scholen die dat sportveld voor het onderwijs gebruiken.

 

Artikel 30. Overleg en mededeling
  1. 1

    Alvorens over te gaan tot vordering voert het college overleg met het bevoegd gezag.

  2. 2

    In dat overleg komt in ieder geval aan de orde:

    a. voor welke activiteit of activiteiten gevorderd wordt;

    b. of die activiteit of activiteiten zich verdragen met de identiteit en het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school;

    c. welke maatregelen eventueel noodzakelijk zijn om te voorkomen dat het onderwijs aan de in het gebouw gevestigde school hinder van het medegebruik ondervindt;

    d. wat naar de mening van het college en het bevoegd gezag een redelijke vergoeding voor het medegebruik is;

    e. de datum waarop het medegebruik redelijkerwijs een aanvang kan nemen.

     

  3. 3

    Binnen vier weken na afloop van het overleg, als bedoeld in het eerste lid, doet het college schriftelijk mededeling van de vordering tot medegebruik aan het bevoegd gezag. Indien het overlegheeft geleid tot afspraken, bevat de mededeling in ieder geval die afspraken. Voorzo-ver het overleg niet tot overeenstemming heeft geleid, bevat de mededeling de beslissing van het college over deze punten. Indien het bevoegd gezag in het overleg te kennen geeft geen bezwaar te hebben tegen de vordering, kan van de schriftelijke mededeling als hier bedoeld worden afgezien.

Paragraaf 4.3. Verhuur

Artikel 31. Toestemming college
  1. 1

    Voordat het bevoegd gezag een huurovereenkomst sluit, vraagt het toestemming voor de verhuur aan het college.

  2. 2

    Het verzoek om toestemming wordt schriftelijk gedaan en bevat een aanduiding van de huurder, en de bestemming van de te verhuren ruimte.

  3. 3

    Het college verleent geen toestemming indien:

    a. de bestemming van de te verhuren ruimte in strijd is met bepalingen daaromtrent uit de Wet op het primair onderwijs, Wet op de expertisecentra en Wet op het voortgezet onderwijs of;

    b. de te verhuren ruimte onmiddellijk nodig is voor een school.

     

Hoofdstuk 5. EINDE GEBRUIK GEBOUWEN EN TERREINEN

Artikel 31. Tijdstip beëindiging gebruik; staat van onderhoud

  1. 1

    Nadat het bevoegd gezag een gebouw of terrein niet meer nodig heeft voor de huisvesting van een school, wordt het gebruik ervan zo spoedig mogelijk beëindigd, doch uiterlijk op de datum genoemd in de door het college en het bevoegd gezag ondertekende gezamenlijke ak-te of de datum zoals vastgesteld door gedeputeerde staten bij de beslissing inzake een ge-schil over de totstandkoming van een gezamenlijke akte.

  2. 2

    Indien er, naar het oordeel van het college, mogelijk sprake is van achterstallig onderhoud aan het gebouw of terrein bedoeld in het eerste lid, dat tot de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag behoort, wordt, voordat de eigendomsoverdracht plaats vindt, een staat van onderhoud opgemaakt.

  3. 3

    De staat van onderhoud wordt opgemaakt in opdracht van het college na overleg met het bevoegd gezag.

  4. 4

    Over de staat van onderhoud wordt overleg gevoerd met het bevoegd gezag. In dat overleg wordt, indien van toepassing, vastgesteld welk deel van het onderhoud alsnog door het be-voegd gezag wordt uitgevoerd of welk bedrag in plaats daarvan aan het college betaald wordt. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, stellen partijen vast welke handelwij-ze gevolgd wordt.

  5. 5

    Het opmaken van een staat van onderhoud blijft achterwege indien dit naar het oordeel van het college niet nodig is.

Hoofdstuk 6. GEBRUIK GYMNASTIEKRUIMTE VOOR BASISONDERWIJS EN (VOORT-GEZET) SPECIAAL ONDERWIJS

Artikel 33. Mutaties aantal klokuren binnen beschikbare capaciteit; inroostering gebruik

  1. 1

    Een bevoegd gezag van een school voor basisonderwijs of een school voor (voortgezet) spe-ciaal onderwijs verstrekt jaarlijks voor 1 april voorafgaande aan het volgende schooljaar een opgave van de voor dat schooljaar voor de school gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte. Deze opgave bevat de volgende gegevens:

    a. de gewenste omvang van het onderwijsgebruik uitgedrukt in een aantal klokuren;

    b. de aanduiding van de gymnastiekruimte of -ruimten waarin het gebruik wordt gewenst;

    c. de tijden waarop het onderwijsgebruik gedurende een schoolweek wordt gewenst.

     

  2. 2

    De jaarlijkse opgave van het gewenste onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte als bedoeld in het eerste lid wordt beschouwd als een aanvraag in de zin van artikel 19, met dien verstande dat op de afhandeling van een dergelijke aanvraag het bepaalde in dit artikel van toepassing is.

  3. 3

    Het college stelt jaarlijks voor 1 mei voorafgaande aan het daaropvolgende schooljaar op basis van de ingediende opgaven een voorstel tot inroostering vast van het onderwijsgebruik door scholen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs van de op het grondgebied van de gemeente gelegen gymnastiekruimten. Hiertoe wordt het gewenste onderwijsgebruik afgezet tegen de beschikbare capaciteit van de gymnastiekruimten, waarbij wordt uitgegaan van een capaciteit van 26 klokuren per week per gymnastiekruimte.

  4. 4

    Het college neemt bij de vaststelling van het voorstel tot inroostering het volgende in acht:

    a. de afstanden in relatie tot de omvang van het onderwijsgebruik van een gymnastiekruimte, zoals opgenomen in bijlage I, deel B;

    b. het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat eigenaar is van een gymnastiekruimte wordt voor de betreffende school het eerste ingeroos-terd voor die gymnastiekruimte;

    c. het gymnastiekonderwijs van een school wordt zoveel mogelijk ingeroosterd in één gymnastiekruimte.

     

  5. 5

    Het voorstel tot inroostering vermeldt per school voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs de volgende gegevens:

    a. het aantal klokuren waarvoor de school wordt ingeroosterd in een gymnastiekruimte;

    b. de aanduiding van de gymnastiekruimte waarin en de tijden gedurende welke het on-derwijsgebruik plaatsvindt;

    c. een nadere onderverdeling van het aantal klokuren per gymnastiekruimte wanneer het gebruik in meer dan één gymnastiekruimte plaatsvindt;

    d. voor zover het gewenste aantal klokuren hoger is dan het aantal klokuren dat ingevolge de beleidsregel bekostiging gymnastiekruimte voor basisonderwijs en (voortgezet) speci-aal onderwijs voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt, wordt vermeld hoeveel klokuren voor rekening komen van het bevoegd gezag van de school. Het colle-ge neemt het aantal klokuren als bedoeld in dit lid onder d slechts op in het voorstel tot in-roostering voor zover daarvoor nog capaciteit beschikbaar is, nadat rekening is gehouden met het totale klokuurgebruik dat voor bekostiging door de gemeente in aanmerking komt.

     

  6. 6

    Het voorstel tot inroostering wordt door het college binnen twee weken na vaststelling toegezonden aan de bevoegde gezagsorganen voor basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. De bevoegde gezagsorganen worden daarbij uitgenodigd voor een overleg over het voorstel. Dit overleg vindt plaats binnen twee weken na toezending van het voorstel. In het overleg worden de vertegenwoordigers van de bevoegde gezagsorganen in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorstel tot inroostering.

  7. 7

    Met inachtneming van de reacties van de bevoegde gezagsorganen stelt het college voor 15 juni volgend op de genoemde datum in het derde lid, de definitieve inroostering vast van het gebruik van de gymnastiekruimte voor het volgende schooljaar. Indien het college daarbij afwijkt van een of meer in het overleg als bedoeld in het zesde lid naar voren gebrachte reacties, dan wordt dit gemotiveerd.

  8. 8

    Binnen twee weken na vaststelling van de inroostering ontvangen de betreffende bevoegde gezagsorganen een schriftelijke mededeling van het college over de inroostering in de beschikbare gymnastiekruimten van de onder hun bevoegd gezag staande school of scholen voor het volgende schooljaar. Deze mededeling is te beschouwen als een beslissing in de zin van artikel 21 en, indien van toepassing, een beslissing in de zin van artikel 27 vierde lid.

Hoofdstuk 7. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 34. Beslissing college in gevallen waarin de verordening niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voor-ziet, beslist het college.

Artikel 35. Indexering

Het college stelt jaarlijks de in het kader van deze verordening gehanteerde normbedragen voor de vergoeding van voorzieningen bij op basis van de in bijlage IV , deel A opgenomen prijsin-dexen en systematiek van prijsbijstelling.

Artikel 36. Citeertitel; inwerkingtreding

  1. 1

    De verordening kan worden aangehaald als: Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Nunspeet.

  2. 2

    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Sluiting

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2008

De voorzitter,                                            De secretaris,

 

Toelichting 1. Artikelsgewijze toelichting