Hebt u plannen om te gaan (ver)bouwen? En past uw plan niet binnen de regels van het geldende omgevingsplan? Dan kunnen die plannen best ingrijpend zijn. De gemeente Nunspeet vraagt u in dat geval om een omgevingsdialoog te voeren. Wij vragen u uw plan eerst voor te leggen aan de omwonenden en/of bedrijven in uw omgeving. U maakt daar een verslag van en dat levert u in bij de aanvraag. Pas daarna start de officiële procedure. Op deze pagina leggen we u uit hoe u dit doet. U leest ook waaraan de omgevingsdialoog moet voldoen. Als hulpmiddel kunt u dit invulverslag(docx, 3.58 MB)gebruiken.
Participatie onder de Omgevingswet is vormvrij. Om u op weg te helpen, leest u op deze pagina meer over de omgevingsdialoog’ en is er een template Omgevingsdialoog’ opgesteld. Dit kan u helpen de participatie vorm te geven.
In sommige gevallen heeft de gemeenteraad bepaald dat participatie verplicht is, bijvoorbeeld bij plannen die niet passen binnen het omgevingsplan. Ook dan bent u zelf verantwoordelijk hoe u de participatie vormgeeft. De gemeente beoordeelt wel of er daadwerkelijk met de omgeving is gesproken.
Waarom een omgevingsdialoog?
Een goed gesprek helpt om tot een sterker plan te komen. Betrek de omgeving op tijd bij uw plan. Een goed gesprek aan het begin helpt om problemen later te voorkomen. U hoort wat mensen belangrijk vinden en kunt daar rekening mee houden. Zo voelen mensen zich betrokken en is de kans op bezwaren kleiner. De reacties van de omgeving kunnen uw plan ook beter maken.
Wanneer een omgevingsdialoog
Doe eerst de check bij het vergunningsloket. Als u geen vergunning nodig hebt, hoeft u geen omgevingsdialoog te voeren. Hebt u wél een vergunning nodig? Dan moet u in gesprek met de omgeving. Het is sowieso netjes om uw buren te informeren over uw plannen, of u nu wel of geen dialoog hoeft te voeren.
Fase 1 en fase 2 van de omgevingsdialoog
De gemeente Nunspeet hanteert voor het voeren van een omgevingsdialoog twee fases. Onder fase 1 vallen alle procedures met een oriënterend karakter zoals een principeverzoek en een aanvraag in het kader van Woningbouw op Maat. Bij fase 1 gaat het om een voorlopige, informele stap in het vergunningentraject. In fase 1 informeert u uw directe omgeving. Naast dat u de directe omgeving informeert gaat u ook in gesprek en luistert u naar wat de directe omgeving van uw plannen vindt.
Fase 2 van de omgevingsdialoog volgt bij de definitieve vergunningsaanvraag of omgevingsplanwijziging. Tijdens fase 2 doorloopt u de resterende stappen van de omgevingsdialoog en vraagt u uw omgeving om een reactie op de plannen. Ook geeft u vervolgens aan wat u met deze opgehaalde informatie hebt gedaan.
Sommige plannen hebben meer invloed op de omgeving dan andere. Daarom is het goed om eerst contact op te nemen met de gemeente. Samen kijken we dan of uw plan weinig of juist veel invloed heeft op de omgeving. In dit eerste gesprek kunt u ook samen met de gemeente bespreken wie u moet betrekken bij de omgevingsdialoog. Ook kunt u overleggen of uw plan misschien haalbaar is. Voorbeelden van initiatieven en het gewenste niveau van participatie:
Hoog: woonwijk, bedrijventerrein, schoolgebouw, de bouw van 4 of meer woningen, appartementengebouw (drielaags of hoger).
Middel: transformatie bedrijfspand of winkelpand naar woningen, klein appartementengebouw ( maximaal tweelaags), bouw tot 3 woningen.
Laag: erker, schuurtje, dakopbouw.
Let op! De impact op de omgeving kan ertoe leiden dat de impact van een initiatief groter wordt. Een nieuw complex op een plek waar al een gebouw stond, heeft minder impact dan nieuwbouw op een locatie waar eerst een trapveldje was.
Het is belangrijk dat u de omgeving vertelt wat uw plan is. Geef ook aan welke delen van het plan nog kunnen veranderen en welke al vaststaan. Met ‘omgeving’ bedoelen we iedereen die iets merkt van uw plan. Denk hierbij aan uw buren (de omliggende perceeleigenaren), bedrijven in de buurt en mensen die het gebied gebruiken. Hoe groter de impact is, hoe meer omwonenden/stakeholders u uit uw omgeving moet betrekken. Zorg ervoor dat alle mensen die een gebouw of stuk grond in de buurt bezitten of gebruiken mee kunnen doen aan de dialoog.
Vindt u het moeilijk om te bepalen wie tot de omgeving hoort? De gemeente kan u helpen. U kunt dit gewoon vragen tijdens het eerste gesprek over uw plan.
De manier waarop u de omgevingsdialoog voert, moet passen bij het initiatief én bij de doelgroep. Zorg voor duidelijke communicatie en een open houding. Tijdens de dialoog legt u uit:
wat de plannen zijn. Gebruik hiervoor bijvoorbeeld een tekening met een toelichting van de ruimtelijke impact van het object (zoals bouwhoogte, vormgeving, kleurgebruik), ontsluiting en parkeren.Besteed ook aandacht aan groen en eventuele hinder na realisatie (geluid/licht/schaduw enzovoort).
wat er verandert ten opzichte van de bestaande situatie. Vertel welke onderdelen van het plan nog bespreekbaar zijn en aangepast kunnen worden.
wat de procedure is die bij de gemeente wordt doorlopen.
Geef betrokkenen minimaal twee weken de tijd om na te denken over de plannen en te reageren.
Voorbeelden
Koffiegesprekken/individuele gesprekken: een-op-een-gesprekken met direct betrokkenen, zoals buren of ondernemers.
Laag
Buurtwandeling; laagdrempelige manier om in gesprek te gaan
Midden
Groepsbijeenkomsten: bijvoorbeeld een informatieavond of bewonersbijeenkomst
Midden
Inloopmomenten: waar mensen zonder afspraak binnen kunnen lopen om vragen te stellen
U hebt een omgevingsdialoog gevoerd. U weet nu wat de omgeving vindt van uw plannen.
Fase 1 (bij een principeverzoek of een aanvraag in het kader van Woningbouw op Maat): > Bij fase 1 geldt dat de nadruk ligt op oriënteren en informeren. U legt in het verslag vast wie u gesproken hebt en beschrijft de inbreng van de aanwezigen op hoofdlijnen.
Fase 2 (bij een definitieve vergunningsaanvraag of een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan): > Bij fase 2 geldt dat u in het verslag van de gevoerde omgevingsdialoog goed documenteert wie aanwezig waren wat de reacties uit de omgeving zijn en wat u met deze reacties bgedaan. Ook als u een reactie niet gebruikt voor het aanpassen van uw plan, geeft u aan waarom u deze reactie niet gebruikt.
Als initiatiefnemer bent u verantwoordelijk voor het maken van een verslag. Of het nu om een principeverzoek of een vergunningsaanvraag gaat, het is altijd belangrijk dat u een terugkoppeling geeft aan de omgeving.
Fase 1 (bij een principeverzoek of een aanvraag in het kader van Woningbouw op Maat): > U geeft een beeld van de gevoerde omgevingsdialoog op hoofdlijnen
Fase 2 (bij een definitieve vergunningsaanvraag of een aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan): > U geeft in het verslag aan welke keuzes u bij elke stap hebt gemaakt, hoe de dialoog is verlopen, welke reacties u hebt gekregen en wat u met de reacties hebt gedaan en of deze reacties hebben geleid tot wel of geen aanpassingen van het plan.
Hebt u het verslag klaar? Dan stuurt u het toe aan de betrokkenen met wie u de dialoog hebt gevoerd.
U hebt een participatieverslag en de omgeving heeft dit verslag ook ontvangen.
Verslag omgevingsdialoog
Bij de aanvraag van uw ruimtelijke initiatief dient u ook het participatieverslag in. U voegt het verslag toe als bijlage bij uw principeverzoek of bij de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning.
Bij verschillende ruimtelijke procedures moet worden aangegeven of er met de omgeving is gesproken over het plan. Dit noemen we participatie. De wet verplicht dat u dit vermeldt bij uw aanvraag en – als u gesprekken heeft gevoerd – dat u beschrijft hoe u dit heeft gedaan en wat daaruit is gekomen.
Participatie onder de Omgevingswet is vormvrij. Om u op weg te helpen zijn de Handreiking Omgevingsdialoog en de ‘Template Omgevingsdialoog’ opgesteld. Deze documenten kunnen u helpen de participatie vorm te geven.
In sommige gevallen heeft de gemeenteraad bepaald dat participatie verplicht is, bijvoorbeeld bij plannen die niet passen binnen het omgevingsplan. Ook dan bent u zelf verantwoordelijk hoe u de participatie vormgeeft. De gemeente beoordeelt wel of er daadwerkelijk met de omgeving is gesproken.